BLOG KENNIS IS VOORSPRONG

De integrale uitsluiting van mensen die lijden aan diabetes type 1 uit eender welke functie aan de haven maakt een discriminatie uit op grond van handicap – arbeidshof Antwerpen bevestigt voorgaande rechtspraak

Een kleine maand voor Wereld Diabetes Dag (vandaag, 14 november 2017) heeft het Arbeidshof te Antwerpen opnieuw een belangrijk arrest geveld in verband met personen die lijden aan diabetes type 1 en dus dagelijks insuline moeten spuiten, wiens toegang tot de havenarbeid zonder meer werd geweigerd op basis van hun ziekte.

Op 16 oktober 2017 bevestigde het Arbeidshof te Antwerpen dat de uitsluiting van kandidaat-havenarbeiders op grond van hun suikerziekte een discriminatie uitmaakt op grond van een handicap.
Een gelijkaardige zaak werd reeds eerder in die zin in graad van beroep door het Arbeidshof te Antwerpen beslecht en later ook bevestigd door het Hof van Cassatie (Arbh. 21 november 2011 2010/AA/334, Cass. 14 december 2015, Arr. Cass. 2015, afl. 12, 2957).

Het Arbeidshof te Antwerpen bevestigt dat de medische geschiktheid van een kandidaat-havenarbeider individueel en functiespecifiek beoordeeld moet te worden. Er mag geen beleid worden gevoerd waarbij iedere kandidaat-havenarbeider automatisch wordt uitgesloten vanuit eender welke functie aan de haven omwille van zijn ziekte, diabetes mellitus type 1.
De feiten deden zich voor in de haven van Antwerpen. De wet van 8 juni 1982 betreffende de havenarbeid maakt havenarbeid enkel mogelijk voor erkende havenarbeiders. Een van de voorwaarden daarbij is dat men medisch geschikt moet zijn voor havenarbeid.

Net daar knelde het schoentje in de voorliggende zaak. Een vrouw, die haar droom wenste waar te maken en in de haven van Antwerpen wilde werken, werd door de arbeidsgeneesheer medisch ongeschikt verklaard voor eender welke functie aan de haven, aangezien ze lijdt aan diabetes mellitus type 1, de insulineafhankelijke vorm van diabetes. Reden hiervoor was dat de medische criteria die werden gehanteerd uitgingen van een medische geschiktheid voor eender welke functie aan de haven.
Op grond van de Antidiscriminatiewet vorderde zij een forfaitaire schadevergoeding van 6 maanden brutoloon en daarnaast om de medische criteria, die de arbeidsgeneesheer gebruikt om tot zijn beslissing te komen, evenals de beslissing van medische ongeschiktheid zelf, (absoluut) nietig te verklaren.

In casu werd niet betwist dat de betrokken mevrouw medisch ongeschikt werd verklaard omwille van haar diabetes mellitus type 1. Het Arbeidshof oordeelde – in tegenstelling tot de arbeidsrechtbank te Antwerpen in eerste aanleg – dat er sprake was van een directe discriminatie op grond van “handicap”.

In zijn arrest van 11 april 2013 (HvJ 11 april 2013, zaak C-335/11) verfijnde het Hof van Justitie de rechtspraak aangaande het begrip “handicap”, voortkomend uit het arrest Chacon Navas van 2006. In het licht van deze nieuwe interpretatie bevestigt het Arbeidshof dat de gezondheidstoestand als gevolg van de diabetes mellitus type 1, langdurig is en betrokkene belet om volledig, daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen. Diabetes mellitus type 1 dient dan ook als een handicap te worden beschouwd in de zin van de Antidiscriminatiewet, wat gevolgen heeft op het vlak van de handhaving van de antidiscriminatiewet.

De directe discriminatie op grond van handicap kan in de haven niet gerechtvaardigd worden op grond van een wezenlijke of bepalende beroepsvereiste. Hoewel er een legitiem doel wordt nagestreefd (namelijk arbeidsveiligheid), is er niet voldaan aan de proportionaliteitstoets.
Het medisch onderzoek met het oog op de tewerkstelling moet functiespecifiek geschieden rekening houdende met de concrete taken die er uitgevoerd moeten worden. In casu werd geen functiespecifiek onderzoek gevoerd, wat strijdig is met de Antidiscriminatiewet.

Op grond van artikel 15 van de Antidiscriminatiewet is het Arbeidshof dan ook van oordeel dat de medische criteria, alsook de uiteindelijke beslissing die door de arbeidsgeneesheer werd genomen,
nietig is. Ook de gevraagde schadevergoeding van 6 maanden brutoloon werd door het Arbeidshof toegekend.
Dit arrest van het Arbeidshof is belangrijk.
Niet alleen wordt het nogmaals duidelijk dat discriminatie bij de toegang tot de arbeid meer en meer gesanctioneerd wordt, maar ook is deze rechtspraak van belang voor iedere persoon die lijdt aan diabetes mellitus type 1.
Diabetes mellitus type 1 mag niet zonder meer een obstakel vormen in de zoektocht naar een job, zowel aan de haven, als daarbuiten. Uiteraard is arbeidsveiligheid eveneens een uiterst belangrijke factor, reden waarom bij medische evaluaties, die nodig zijn bij bepaalde functies, rekening moet worden gehouden met de specifieke functie waarvoor gesolliciteerd wordt en de specifieke gezondheidstoestand van de kandidaat.
Voor de circa 30.000 personen in België die aan diabetes mellitus type 1 lijden, is dit dan ook een zeer belangrijke uitspraak.

Daarnaast heeft deze uitspraak ook een mogelijk belang voor andere ziekten en/of lichamelijke beperkingen die onder de noemer van het begrip handicap kunnen worden gebracht en die voor de betrokkene op langdurige wijze belet om volledig en daadwerkelijk en op voet van gelijkheid met andere werknemers aan het beroepsleven deel te nemen.
Goed nieuws is dat er enkele jaren geleden verandering is gekomen in de haven van Antwerpen.
Aan de haven van Antwerpen wordt nu sedert enkele jaren op een andere manier een medische beoordeling doorgevoerd, dit, mede door toedoen van de gevormde principerechtspraak in beide voormelde zaken.
Naar de inhoud van het arrest: Arbeidshof Antwerpen 16 oktober 2017, AR 2016/AA/528 (lees meer: Arrest arbeidshof Antwerpen 16 oktober 2017 )

Strafrechtelijke verantwoordelijkheid rechtspersonen

Op 1 november 2017 titelde De Tijd: “Bedrijven moeten verkeersboetes werknemers betalen”. Minister Bellot wenst op burgerrechtelijk niveau een mouw te passen aan het feit dat veel verkeersboetes niet betaald worden. Hiermee viseert men voornamelijk de zogenaamde poolwagens, die door verschillende werknemers op verschillende tijdstippen gebruikt worden, waardoor het moeilijk is te achterhalen welke werknemer de verkeersovertreding begaan heeft. Hierdoor worden veel verkeersboetes niet betaald.

Met deze mogelijke wetswijziging wenst de Minister het burgerrechtelijke aspect zoveel mogelijk te laten aansluiten bij het strafrechtelijke. Op strafrechtelijk niveau is het immers mogelijk om zowel de geïdentificeerde natuurlijke persoon, als de rechtspersoon aansprakelijk te stellen voor eenzelfde misdrijf. Deze mogelijkheid werd ingevoerd door de Wet van 4 mei 1999 en wordt thans gewaarborgd in artikel 5 van het Strafwetboek.

Het is echter mogelijk om deze cumul opzij te schuiven en ofwel de geïdentificeerde natuurlijke persoon ofwel de rechtspersoon aansprakelijk te stellen. Meer nog: de rechtspraak maakt van deze decumul het principe, waardoor men slechts onder strikte voorwaarden zowel de geïdentificeerde persoon, als de rechtspersoon kan veroordelen voor eenzelfde feit.

In de bijgaande powerpoint wordt onder meer een overzicht gegeven van de verschillende voorwaarden die moeten worden nageleefd opdat er sprake is van een cumul of een decumul.
Strafrechtelijke verantwoordelijkheid rechtspersonen

Vacature

FORUM ADVOCATEN heeft een vacature voor een medewerker (3 tot 5 jaar ervaring) in de vakgroep arbeidsrecht.

De kandidaten beschikken over een goed analytisch, synthetiserend en probleemoplossend vermogen. Zij zijn sterk in het geschreven en gesproken woord en kunnen argumenten gestructureerd en goed onderbouwd uitwerken. De kandidaten zijn gedreven en loyaal. Zij zijn bereid om in teamverband te werken.

Het kantoor biedt u een aangename werkomgeving (op het Eilandje) met mogelijkheden om u professioneel (verder) te ontplooien binnen een groeiende jonge en dynamische groep van gespecialiseerde collega’s.

Uw cv + motivatiebrief mag u toezenden aan j.kern@forumadvocaten.be.

Uit de motivatiebrief moet tevens blijken dat de kandidaat in staat is om een behoorlijk geschreven tekst uit te werken waarin hij/zij de meerwaarde voor het kantoor toelicht en waarin hij/zij ook aandacht besteedt aan de verwachtingen ten aanzien van het kantoor.

Het nieuwe insolventierecht

De Wet van 11 augustus 2017 voorziet in een nieuw Boek XX dat zal worden toegevoegd aan het Wetboek van Economisch Recht. Dit Boek smelt de WCO en de faillissementswet samen met het oog op een coherente en leesbare wetgeving dewelke ook inhoudelijk grondig wordt gewijzigd.
Met deze nieuwe insolventiewetgeving wordt tegemoetgekomen aan de eis van modernisering en digitalisering. Eveneens wordt het personeel toepassingsgebied in dergelijke mate uitgebreid zodat beide insolventieprocedures openstaan voor alle ondernemers, ongeacht of zij al dan niet handelaar zijn.
Tevens wordt het ondernemerschap sterk aangemoedigd aan de hand van de tweede kans voor de ondernemer. Minnelijke akkoorden buiten een procedure van gerechtelijke reorganisatie kunnen in de nabije toekomst worden gehomologeerd via een informele procedure. Verder heeft men een samenhangende regelgeving aangaande bestuurdersaansprakelijkheid voor ogen en houdt men rekening met de grensoverschrijdende dimensie van de insolventie.
Het insolventierecht wordt zodoende grondig gewijzigd, hetgeen noodzakelijk was rekening houdend met de thans bestaande gefragmenteerde, verouderde en moeilijk leesbare wetgeving.
Het nieuwe insolventierecht is van toepassing op insolventieprocedures na 1 mei 2018.
Meer weten : Het nieuwe insolventierecht

Stakingsrecht

Stakingen zijn iets van alle tijden. In maart 1886 vond in België de eerste algemene staking plaats waarbij verschillende eisen op tafel lagen, zoals bijvoorbeeld het verbod op mijnarbeid voor vrouwen en kinderen. Het maatschappelijk draagvlak voor deze stakingen was enorm. Iedereen was het eens over het feit dat vrouwen en kinderen niet tewerkgesteld mochten worden in de mijnen.

Vandaag de dag is het gevoel anders. ACOD heeft aangekondigd dat er op 10 oktober 2017 gestaakt zal worden en dat verschillende publieke diensten niet beschikbaar zullen zijn. Het maatschappelijk draagvlak voor deze staking is echter veel minder dan in het verleden, omdat een overgroot deel van de mensen niet weet waarom er gestaakt zal worden op 10 oktober 2017. Het draagvlak wordt bovendien ook onderuit gehaald doordat ‘gewone mensen’ vaak het slachtoffer zijn van deze stakingen, wat op onbegrip stuit van een groot deel van de bevolking.

De grootste moeilijkheid bestaat er thans in om een alternatief te zoeken, waarbij het stakingsrecht enerzijds zo veel als mogelijk gewaarborgd wordt, maar waarbij de bevolking anderzijds zo weinig mogelijk hinder ondervindt van dergelijke stakingen. In het verleden hebben verschillende politici – meestal tevergeefs – een poging gewaagd om beiden te verzoenen.

In de bijhorende powerpoint wordt, na een korte historische schets van het stakingsrecht, dieper ingegaan op verschillende aspecten van het stakingsrecht: hoe is het ontstaan? Hoe wordt het gewaarborgd? Welke soorten bestaan er? Wat zijn de gevolgen? Zijn er alternatieven? Deze presentatie is dan ook een handige leidraad voor iedere persoon die meer te weten wil komen over dit actueel thema en voor iedereen die wil weten wat zijn rechten en plichten zijn in het kader van stakingen : Stakingsrecht

Het omgevingsvergunningsdecreet

Op 23 februari 2017 trad het omgevingsvergunningsdecreet officieel in werking. De omgevingsvergunning verenigt de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning en vervangt deze door de omgevingsvergunning.

Het omgevingsvergunningsdecreet mag dan wel officieel in werking zijn getreden, de overstap van de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning naar de omgevingsvergunning wordt toch nog niet op alle bestuurlijke niveaus gemaakt.

Hierna wordt het wettelijk kader, de inwerkingtreding en de overgangsregeling inzake de omgevingsvergunning kort toegelicht.

Wettelijk kader

Het wettelijk kader van de omgevingsvergunning kan onderscheiden worden in een procedureel en inhoudelijk luik.

Het procedurele luik bestaat uit het omgevingsvergunningsdecreet van 25 april 2014. Dit decreet wordt verder uitgevoerd door twee uitvoeringsbesluiten, namelijk het omgevingsvergunningsbesluit van 27 november 2015 en het besluit van 13 februari 2015 tot aanwijzing van de Vlaamse en provinciale projecten.

Inhoudelijk blijven ook titel V van het DABM, Vlarem II en Vlarem III en de VCRO met diens de uitvoeringsbesluiten gelden.

Inwerkingtreding

Het omgevingsvergunningsdecreet mag dan wel officieel in werking zijn getreden op 23 februari 2017, de overstap van de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning naar de omgevingsvergunning toch nog niet op alle bestuurlijke niveaus gemaakt.

Op gewestelijk of Vlaams niveau en op provinciaal niveau werd al op 23 februari 2017 de overstap gemaakt naar de omgevingsvergunning. De Vlaamse Regering en Deputaties zijn bijgevolg reeds onderworpen aan de procedurele regels van het omgevingsvergunningsdecreet wanneer zij in eerste aanleg bevoegd zijn.

Concreet betekent dit dat de omgevingsvergunning thans al van toepassing is op de zogenaamde ‘Vlaamse projecten’ die terug te vinden zijn in bijlage I van het uitvoeringsbesluit tot aanwijzing van Vlaamse en provinciale projecten, op projecten die zich uitspreiden over twee of meer provincies, op provinciale projecten die terug te vinden zijn in bijlage II van het uitvoeringsbesluit tot aanwijzing van Vlaamse en provinciale projecten, op projecten die zich uitspreiden over twee of meer gemeenten en op ingedeelde inrichtingen of activiteiten uit klasse 1.

De omgevingsvergunning is ook reeds van toepassing op meldingen en bijstellingen die horen bij bovenstaande projecten.

Op lokaal of gemeentelijk niveau geldt een meer gedifferentieerde regeling. Oorspronkelijk zou de omgevingsvergunning ook in werking treden op gemeentelijk niveau op 23 februari 2017. Door een aantal technische problemen was er echter onvoldoende tijd om de software van de lokale besturen af te stemmen op het nieuwe Vlaamse Omgevingsloket. Om die reden werd bij decreet van 3 februari 2017 aan gemeenten de mogelijkheid geboden om de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning uit te stellen tot 1 juni 2017. Deze termijn werd bij decreet van 2 juni 2017 nogmaals uitgesteld tot 1 januari 2018. Volgens de huidige stand van zaken zal de omgevingsvergunning dus voor alle gemeenten in werking treden vanaf 1 januari 2018.

Vervolgens rijst de vraag welke gemeenten van de mogelijkheid tot uitstel van inwerkingtreding van de omgevingsvergunning gebruik hebben gemaakt. Nagenoeg alle gemeenten hebben verzocht om een uitstel, behalve de volgende zes gemeenten: Beersel, Diest, Dilsen-Stokkem, Herstappe, Langemark-Poelkapelle en Staden. Deze gemeenten werken thans met de omgevingsvergunning en bijhorende regelgeving, de overige gemeenten zullen nog tot 1 januari 2018 de regelgeving hanteren zoals die gold voor 23 februari 2017.

Samengevat impliceert dit dat thans alleen de gemeenten Beersel, Diest, Dilsen-Stokkem, Herstappe, Langemark-Poelkapelle en Staden, de provincies en het Vlaams gewest onderworpen zijn aan de regelgeving inzake de omgevingsvergunning. De overige gemeenten hanteren nog tot 1 januari 2018 de regelgeving zoals die gold voor 23 februari 2017.

Overgangsbepalingen

Het omgevingsvergunningsdecreet bevat tot slot ook overgangsbepalingen inzake de vergunningen, meldingen of erkenningen met toepassing van het milieuvergunningsdecreet, inzake vergunningen met toepassing van de VCRO en inzake milieueffect- en veiligheidsrapportage. Dit impliceert dat zelfs na inwerkingtreding van de regelgeving inzake de omgevingsvergunning de voormalige regelgeving toch nog van toepassing kan zijn.

Meer weten? Omgevingsvergunning

Hervorming van het Vennootschapsrecht

Er bestaat een grote nood aan een hervorming van het vennootschapsrecht om verscheidene redenen. De doelstelling van die hervorming is een modern, eenvoudig en flexibel vennootschapsrecht te creëren dat zowel de Belgische als buitenlandse ondernemers moet aanspreken. Men stelt voor om één Wetboek Vennootschappen en Verenigingen op te stellen dat onderverdeeld zal worden in verschillende boeken, gelijkaardig aan het huidige Wetboek van Economisch Recht.

Meer lezen? Hervorming van het vennootschapsrecht – Inleiding

Omzendbrief vergunningverlening in bebouwde en onbebouwde gebieden

Vrijdag 7 juli 2017 kwam de minister met een nieuwe omzendbrief ‘Een gedifferentieerd ruimtelijk transformatiebeleid in de bebouwde en de onbebouwde gebieden’.

De in de omzendbrief uitgedrukte doelstellingen gelden als gewestelijke invulling van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Het artikel biedt een referentiekader bij de opmaak en de interpretatie van ruimtelijke plannen en bij de beoordeling van vergunningsaanvragen.

De omzendbrief beoogt een differentiatie tussen bebouwde en onbebouwde gebieden in het ruimtelijk beleid. Zowel het realiseren van een kwalitatief ruimtelijk rendement binnen de bebouwde gebieden als het vrijwaren en het versterken van de onbebouwde gebieden noopt tot een meer realisatiegericht beleid. De omzendbrief geeft daarbij aan hoe de overheid een actieve rol kan spelen bij het bewerkstelligen van ruimtelijke kwaliteit bij ontwikkelingen in bebouwde en onbebouwde gebieden.

In de versnipperde open ruimte kunnen er alleen nog woningen en bedrijven bijkomen op basis van een behoefte- en voorzieningenstudie. Voor bijkomend ruimtebeslag in de open ruimte zal je dus voortaan moeten aantonen dat daarvoor geen plaats meer was in nabijgelegen kernen en dorpen. Zo’n motivering moet steunen op bestaande prognosemodellen zoals die van de studiedienst van de Vlaamse Regering.

Tot zover de mededeling op de website www.ruimtelijkeordening.be. U kan daar de omzendbrief ook nalezen.

Ondertussen woedt volop de juridische en politieke discussie. De politieke discussie is voer voor politici.

Juridisch kunnen er evenwel heel wat vraagtekens geplaats worden bij de gevolgde werkwijze. Een omzendbrief kan immers geen bijkomende ‘nieuwe regels’ vastleggen, maar kan enkel het bestaande wettelijk kader ‘interpreteren’ waar dit vaag of onduidelijk is of kan ‘richting geven aan het beleid’ waar er afwezigheid van regelgeving is (en waar er dus ‘beleidsruimte’ bestaat).

Het typevoorbeeld hiervan is de omzendbrief over de interpretatie van de inrichtingsvoorschriften van de gewestplannen. Daarin wordt bijvoorbeeld aangegeven wat begrepen kan worden onder het begrip ‘para-agrarische activiteiten’. Deze activiteiten zijn toegelaten in de landbouwgebieden. Maar wat houdt dat begrip precies in? Horen manèges, paardenfokkerijen, conservebedrijven, hondenkennels etc. al dan niet thuis in de agrarische gebieden? Dat hangt af van hoe het begrip ‘para-agrarisch’ wordt geïnterpreteerd. En daarover kan men in redelijkheid van mening verschillen, er een andere interpretatie op nahouden. In dat geval kan een omzendbrief enige duidelijkheid brengen over de wijze waarop het bestuur zelf aan de bestaande (vage/onduidelijke) regelgeving invulling zal geven.

Anders lijkt het evenwel met de huidige omzendbrief die bijkomende vereisten lijkt op te leggen in gebieden die (los van de planbestemmingen)
Als ‘onbebouwd’ worden aangemerkt. Voor aanvragen in dergelijke gebieden wordt bijkomend vereist dat een ‘behoefte- en voorzieningenstudie’ zou worden opgemaakt op grond waarvan dan de vergunning wel of niet zou verleend kunnen worden. Daarmee lijkt de bestaande regelgeving niet ‘verduidelijkt’ te worden, doch daarmee lijken nieuwe vereisten gecreëerd te worden die in de wetgeving niet voorzien worden. Indien en voor zover deze omzendbrief dus als ‘regelgevend’ beschouwd kan worden, is het geen loutere ‘pseudo-wetgeving’ meer, maar werkelijke ‘regelgeving’ (die niet op de geëigende wijze tot stand is gekomen).

Het valt dan ook te voorzien dat deze omzendbrief mogelijk bestreden zal worden bij de Raad van State (binnen 60 dagen) of dat – bij toepassing hiervan in een concreet dossier – de onwettigheid hiervan door de aanvrager zal worden opgeworpen.

Er kan dan ook in hoofde van de vergunningsaanvragers, maar ook in hoofde van de vergunningverlenende overheden, de komende periode heel wat onduidelijkheid ontstaan. Forum advocaten is uw kompas in woelig water. Met deze warme temperaturen is het belangrijk het hoofd koel te houden en de juiste richting aan te houden. Aan het einde is er land in zicht: misschien een bebouwd gebied? Vergeet uw behoeftestudie niet.

EU-bankbeslag

De EU-verordening nr. 655/2014 van 15 mei 2014 voerde een Europees bankbeslag in dewelke in werking is getreden op 18/01/2017, waardoor schuldeisers eenvoudiger beslag kunnen leggen op een bankrekening in een andere lidstaat. Terwijl schuldeisers vroeger steeds naar de rechter in de lidstaat waar de bankrekening wordt aangehouden, dienden te stappen, kunnen de schuldeisers nu ook terecht bij de rechter van hun eigen lidstaat. Verhaalsmoeilijkheden worden op deze manier zo veel mogelijk vermeden en de inning van grensoverschrijdende vorderingen wordt bij deze vereenvoudigd.
Let wel dat het toepassingsgebied zich enkel uitstrekt voor geldelijk vorderingen in burgerlijke- en handelszaken en dit louter in grensoverschrijdende situaties binnen de EU, uitgezonderd het Verenigd Koninkrijk en Denemarken.
De aanvraag dient te worden ingediend via standaardformulieren dewelke terug te vinden zijn op het Europees e-justitieportaal. Hierin dient de schuldeiser aan te tonen dat zonder een bevel tot bewarend beslag de toekomstige inning van de vordering in gevaar dreigt te komen.
De aanvraag kan worden ingediend vóór het begin van de procedure ten gronde, tijdens een hangende procedure en nadat er reeds een rechterlijke beslissing is bekomen.
Hoewel de procedure eenzijdig verloopt met het oog op het verrassingseffect, voorziet de verordening tevens in een aantal waarborgen t.a.v. de schuldenaar opdat eventuele schade gedekt kan worden die deze laatste zou lijden ingevolge het beslag. Bovendien heeft de schuldenaar de mogelijkheid om een rechtsmiddel in te stellen, dit eveneens aan de hand van een standaardformulier.
EU-bankbeslag