BLOG KENNIS IS VOORSPRONG

De nieuwe woninghuur ingevolge het Vlaams Huurdecreet

Sinds 1 januari 2019 werden een aantal zaken gewijzigd ten opzichte van de thans geldende federale woninghuurwet.

Zo worden onder meer de regels met betrekking tot de duur en het einde van de huurovereenkomsten gewijzigd evenals de bepalingen betreffende het financiële luik. Daarnaast wordt tevens voorzien in specifieke regels voor medehuur. Bovendien wordt er een aparte titel ingevoerd voor huurovereenkomsten voor de huisvesting van studenten.

Het een en ander zal er derhalve toe leiden dat thans vaak gebruikte standaardclausules zullen dienen te worden bijgewerkt.

Meer weten: Wijzigingen woninghuur ingevolge Vlaams Huurdecreet

De renteloze huurwaarborglening

In het nieuwe Vlaamse Woninghuurdecreet, wordt de huurwaarborg opnieuw verhoogd van 2 maanden huur naar 3 maanden huur. Derhalve heeft de Vlaamse Regering middels haar uitvoeringsbesluit van 7.12.2018 nu voorzien in de renteloze huurwaarborglening. Deze huurwaarborglening moet personen met een bescheiden inkomen tegemoet komen bij het afsluiten van woninghuurovereenkomsten.

Om in aanmerking te kunnen komen voor een renteloze huurwaarborglening dient men aan 10 voorwaarden te voldoen waarbij de voornaamste voorwaarden betrekking hebben op het niet in eigendom mogen hebben van een woning of een perceel, noch geheel noch gedeeltelijk.

Enkel het Vlaams Woningfonds kan een huurwaarborglening toekennen.

De aanvraag van een huurwaarborglening gebeurt via een aanvraagformulier opgesteld door het Vlaams Woningfonds dat binnen 2 werkdagen de volledigheid van de aanvraag beoordeelt. Is de aanvraag compleet, dan wordt de huurwaarborglening toegekend aan de door het Vlaams Woningfonds opgestelde terugbetalingsmodaliteiten. De huurwaarborglening bedraagt het bedrag van de huurwaarborg zoals bepaald in de huurovereenkomst. Het maximaal te lenen bedrag werd weliswaar beperkt tot 1.800,00 euro, hetgeen met 12,5 % per persoon ten laste verhoogd wordt tot maximum 4 personen ten laste (maximaal een verhoging van 50%). Het bedrag van de huurwaarborglening wordt bovendien eveneens verhoogd met 10 % indien de gehuurde woning in bepaalde gemeenten gelegen is. Voldoet de aanvraag niet aan de voorwaarden dan deelt het Vlaams Woningfonds mee aan welke voorwaarden niet voldaan is. De aanvrager kan hiertegen binnen 30 kalenderdagen per aangetekend schrijven beroep aantekenen bij de toezichthouder dewelke binnen 2 weken dient te antwoorden.

De huurwaarborglening dient te worden terugbetaald in 24 maanden. Deze termijn kan op gemotiveerd verzoek verlengd worden met 6 maanden. Het OCMW zal op de hoogte worden gebracht in geval van een terugbetalingsachterstand van 2 maanden in welk geval tevens intresten verschuldigd zullen zijn. Indien minstens 2 vervallen maanden of een bedrag gelijk aan 20% van het nog openstaande saldo niet worden betaald binnen 1 maand na aangetekende ingebrekestelling door het Vlaams Woningfonds, zal het krediet van rechtswege opeisbaar worden en zijn in afwachting van de vervroegde terugbetaling eveneens intresten verschuldigd. Deze vervroegde opeisbaarheid vervalt indien de vervallen afbetalingen, inclusief intresten, worden aangezuiverd.

Aangezien de huurwaarborglening bedoeld is voor personen met een bescheiden inkomen (en niet met een laag inkomen), mag het Vlaams Woningfonds geen huurwaarborglening toestaan voor sociale huurwoningen.

Het uitvoeringsbesluit met betrekking tot de huurwaarborglening trad in werking op 1.1.2019.

Gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening

Hieronder vindt u het overzicht van de gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening.

De hierna genoemde personeelsleden van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving worden met ingang van 7 december 2018 aangewezen als verbalisant ruimtelijke ordening voor het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest en dit voor zolang zij deel uitmaken van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving:
1° Beertens Karen;
2° De Bruyne Koen;
3° De Roep Tom;
4° Dejonghe Lobke;
5° Dhondt Marion;
6° Giebens Joris;
7° Ghysel Eline;
8° Gydé Caroline;
9° Janssens Thierry;
10° Kempinck Michiel;
11° Lathouwers Lennart;
12° Lecointre Els
13° Mellaerts Jan;
14° Meul Jolien;
15° Moeyersoon Kristof;
16° Ruysseveldt Geert;
17° Tanghe Veronique;
18° Van Belle Fernand;
19° Van Boeckel Krista;
20° Vanbrabant Regina;
21° Vercauteren Mart;
22° Verheyden Elke.

(Zie het Besluit van de secretaris-generaal van 4 december 2018 tot aanwijzing van de gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving, B.S. 27 december 2018).

De hierna genoemde personeelsleden van de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving verkrijgen met ingang van 12 december 2018 de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings:
1° De Roep Tom;
2° Dejonghe Lobke;
3° Dhondt Marion;
4° Giebens Joris;
5° Janssens Thierry;
6° Lathouwers Lennart;
7° Mellaerts Jan;
8° Meul Jolien;
9° Ruysseveldt Geert;
10° Van Boeckel Krista;
11° Vercauteren Mart;
12° Verheyden Elke.
De hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings loopt af op de dag dat de betrokkene geen gewestelijke verbalisant ruimtelijke ordening van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving meer is.

(Zie Ministerieel besluit van 10 december 2018 tot aanwijzing van de gewestelijke verbalisanten ruimtelijke ordening van de afdeling Handhaving van het departement Omgeving die de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, verkrijgen, B.S. 27 december 2018).

 

 

Het loon van de sportbeoefenaar

In zijn arrest van 5 juli 2018 heeft het Grondwettelijk Hof zich gebogen over de vraag of de specifieke behandeling van betaalde sportbeoefenaars – die voortvloeit uit de wet van 24 februari 1978 betreffende de arbeidsovereenkomst voor betaalde sportbeoefenaars – al dan niet verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel.

 

Meer informatie vindt u in het volgende blogbericht: Blog het loon van de sportbeoefenaar

Openbaar onderzoek m.b.t. voorkeursscenario GRUP ‘Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen in Ekeren’

De Oude Landen is een bestaand vertakkingscomplex voor spoorweginfrastructuur en de uitbouw van een parkgebied in Ekeren. De aanpassing van de vertakking Oude Landen is essentieel in de afhandeling per spoor van goederen van en naar de Antwerpse zeehaven en vormt een eerste stap in het verhogen van de capaciteit van de goederenas.

Op basis van de resultaten van het gevoerde (milieu-)onderzoek en het goedgekeurde plan-MER opteert de Vlaamse Regering nu voor het bovengrondse scenario als voorkeursscenario voor het vertakkingscomplex Oude Landen. Deze beslissing samen met de conclusies van het gevoerde onderzoek, het goedgekeurde plan-MER bij het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen in Ekeren’ worden nu onderworpen aan een openbaar onderzoek.

Omzendbrief betreffende bekendmakingsplicht lokale besluiten en bestuurlijk toezicht

De Minister heeft een Omzendbrief aan de lokale besturen gezonden betreffende het bestuurlijk toezicht en de bekendmakingsplicht zoals geregeld in het Provinciedecreet van 9 december 2005 en het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur.

Deze omzendbrief geeft duiding bij twee aspecten van voornoemde decreten.

In het eerste luik gaat de omzendbrief in op de bekendmakingsplicht die met voormelde decreten uitgebreid wordt. De bekendmakingsplicht houdt in dat het lokaal bestuur binnen welbepaalde termijnen een aantal welomschreven besluiten, lijsten met besluiten en stukken moet publiceren op zijn webtoepassing.

Deze bekendmakingsplicht is mee van belang voor de uitoefening van het hervormd bestuurlijk toezicht. Daarover verstrekt het tweede luik van de omzendbrief toelichting. Concreet wordt duiding gegeven bij het gewoon bestuurlijk toezicht dat van toepassing is op de gemeenten, de districten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de politiezones en de hulpverleningszones, de provincies en in voorkomend geval de publiekrechtelijke verzelfstandigde entiteiten (projectvereniging, dienstverlenende vereniging, opdrachthoudende vereniging) en samenwerkingsverbanden van deze besturen.

Bijzonder interessant bij deze omzendbrief zijn de bijlagen. Daarin wordt o.a. een schematisch overzicht gegeven van welke informatie het lokale bestuur op zijn webtoepassing beschikbaar moet stellen van het publiek. Zie bijvoorbeeld bijlage 1 over de publicatieplicht van de gemeenteoverheid op de webtoepassing van de gemeente:

Voor meer informatie kan verwezen worden naar de omzendbrief:

https://lokaalbestuur.vlaanderen.be/beslissing-vlareg/omzendbrief-toezicht

 

 

 

 

Wijziging van de procedure van de elektronische openbare verkoop via het e-voorkooploket

De tekst van het ontwerp van decreet tot wijziging van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten, die werd aangenomen door de plenaire vergadering, ligt thans ter bekrachtiging en afkondiging voor bij de Vlaamse Regering.

Voornoemd decreet heeft betrekking op de elektronische openbare verkoop via het e-voorkooploket. Het ontwerp van decreet regelt het bestaan van dit loket en de procedure die de instrumenterend ambtenaar dient te volgen bij de aanbieding van een voorkooprecht.

Via het e-voorkooploket kan u nagaan of op een onroerend goed een Vlaams decretaal voorkooprecht rust. Daarnaast gebeurt ook de kennisgeving van het plaatsvinden van een openbare verkoop en het aanbieden van het recht van voorkoop via dit e-voorkooploket.

Wij houden u op de hoogte van dit initiatief.

Indien u vragen heeft over het voorkooprecht of het e-voorkooploket, aarzel dan niet om ons te contacteren.

 

 

Law without language barriers


Grondwettelijk Hof vernietigt bepaling waarbij op algemene en absolute wijze een uitzondering op het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten werd ingevoerd.

Openbaarheid is de (grondwettelijk gewaarborgde) regel. Uitzonderingen hierop dienen restrictief geïnterpreteerd te worden.

Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn slechts mogelijk onder de voorwaarden vastgesteld door de wet, het decreet of de ordonnantie. Ze moeten volgens het Grondwettelijk Hof worden verantwoord en moeten beperkend worden geïnterpreteerd. De Raad van State sluit zich aan bij die rechtspraak.

Algemene en absolute uitzonderingen op de principiële openbaarheid van bestuur, zullen doorgaans de toetsing aan art. 32 van de grondwet, in samenhang met art. 10 en 11 van de grondwet niet doorstaan.

In dat verband kan verwezen worden naar een recent en interessenat arrest van het Grondwettelijk Hof, waarin geoordeeld werd dat de door de bestreden bepaling ingevoerde algemene en absolute uitzondering op het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten voor de stukken die Delcredere ontvangt of produceert in het kader van zijn activiteiten ter uitvoering van de bij de wet van 31 augustus 1939 betreffende Delcredere opgelegde opdracht van commerciële en financiële aard, een onevenredige beperking inhoudt van het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten zoals gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet en dat de uitsluiting van de instelling uit het toepassingsgebied van de wet van 11 april 1994 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt:

B.10.1. Door te bepalen dat de stukken die Delcredere ontvangt of produceert in het kader van zijn activiteiten ter uitvoering van de bij de wet van 31 augustus 1939 opgelegde opdracht van commerciële en financiële aard niet worden beschouwd als bestuursdocumenten in de zin van de wet van 11 april 1994, voert de bestreden bepaling een algemene uitzondering in op het fundamentele recht dat is gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet.

B.10.2. Het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen de personen die willen kennisnemen van de in de bestreden bepaling bedoelde documenten, die automatisch van dat recht zijn uitgesloten, en de personen die willen kennisnemen van andere bestuursdocumenten, die de bij de wet van 11 april 1994 ingevoerde procedure genieten, kan alleen een toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 32 van de Grondwet, doorstaan wanneer het berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

B.11. De parlementaire voorbereiding van de wet van 18 april 2017 wijst op de concurrentiële omgeving waarin Delcredere opereert en verantwoordt de bestreden maatregel door de zorg om de bescherming te waarborgen van de vertrouwelijke bedrijfsinformatie van de cliënten van Delcredere, aangezien de regeling waarin is voorzien in de wet van 11 april 1994 hiervoor geen sluitende oplossing zou bieden. De uitzonderingsgronden in die wet vereisen immers dat geval per geval geoordeeld wordt welke van de gegevens die de bedrijven aan Delcredere meedelen al dan niet vertrouwelijk zijn en verplichten Delcredere tot openbaarmaking wanneer de bescherming van het vertrouwelijk karakter van de bedrijfsinformatie van zijn cliënten niet opweegt tegen het belang van de openbaarheid. Aldus zou Delcredere zijn cliënten niet op sluitende wijze de vereiste bescherming van hun vertrouwelijke bedrijfsinformatie kunnen bieden.

Er wordt ook benadrukt dat niet louter bepaalde segmenten maar integendeel het geheel van de handelingen die Delcredere bij het uitoefenen van zijn kerntaken stelt, handelingen betreft die passen in het kader van een uitsluitend commerciële en financiële context. De bestreden bepaling moet toelaten dat Delcredere een bescherming kan bieden van de vertrouwelijke gegevens van zijn cliënten die gelijkwaardig is aan hetgeen bij de concurrentie geldt. Ten slotte wordt ter verantwoording van de bestreden bepaling ook erop gewezen dat het optreden van Delcredere gericht is op het sluiten van private overeenkomsten en dat Delcredere bij de uitoefening van zijn commerciële en financiële activiteiten geen eenzijdige bestuurshandelingen stelt (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2331/001, pp. 46-50).

B.12.1. Ondernemingen hebben een rechtmatig belang om hun zakengeheimen niet aan de openbaarheid prijs te geven. Wanneer de administratieve transparantie op dergelijke informatie betrekking heeft, dient een goed evenwicht tot stand te worden gebracht tussen de bescherming van het zakengeheim en het grondrecht dat wordt gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet.

B.12.2. Er kan echter niet a priori van worden uitgegaan dat alle stukken die Delcredere ontvangt of produceert in het kader van zijn activiteiten ter uitvoering van de bij de wet van 31 augustus 1939 betreffende Delcredere opgelegde opdracht van openbare dienst, dermate vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten dat zij in hun volledigheid aan de openbaarheid zouden moeten worden onttrokken.

Een dergelijke absolute uitsluiting verdraagt zich niet met artikel 32 van de Grondwet, dat van de openbaarheid van bestuursdocumenten de regel heeft gemaakt en vereist dat uitzonderingen daarop strikt worden geïnterpreteerd en geval per geval worden gerechtvaardigd zodat het beginsel van de administratieve transparantie niet wordt uitgehold.

B.13.1. Er wordt voorts niet aangetoond dat de uitzonderingen en de procedure ingevoerd bij de wet van 11 april 1994 ontoereikend zouden zijn om de vertrouwelijkheid van gevoelige informatie te waarborgen en dat derhalve een afwijking van die wet noodzakelijk zou zijn.

B.13.2. Zoals is vermeld in B.9.2, bevat artikel 6 van de wet van 11 april 1994 immers verschillende uitzonderingsgronden op het recht van toegang tot bestuursdocumenten.

Zo dient een administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument onder meer af te wijzen, wanneer zij heeft vastgesteld dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van de bestuurden, de federale internationale betrekkingen van België,
15
een federaal economisch of financieel belang of het uit de aard van de zaak vertrouwelijk karakter van de ondernemings- en fabricagegegevens die aan de overheid zijn meegedeeld.

Voorts moet de administratieve overheid de aanvraag tot inzage of mededeling weigeren wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de inzage of mededeling heeft ingestemd.

B.13.3. Het door de wetgever nagestreefde doel om de vertrouwelijke gegevens van de cliënten van Delcredere te beschermen, kan dus worden bereikt door gebruik te maken van de bij de wet van 11 april 1994 geregelde procedure. Enkel een dergelijke procedure komt overigens tegemoet aan de bekommernis die bij de totstandkoming van artikel 32 van de Grondwet als wezenlijk werd beschouwd, namelijk dat steeds in concreto moet kunnen worden beoordeeld of de aanvraag om inzage in een bestuursdocument al dan niet kan worden ingewilligd.

B.13.4. Ten slotte wordt niet aannemelijk gemaakt waarom de bestuursdocumenten die vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten, niet zouden kunnen worden aangepast, overeenkomstig artikel 6, § 4, van de wet van 11 april 1994, opdat minstens een gedeeltelijke openbaarheid kan worden gewaarborgd (zie in dezelfde zin : Raad van State, advies nr. 60.806/1/2/4 van 7 februari 2017, Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2331/001, pp. 112-113).

B.14. De door de bestreden bepaling ingevoerde algemene en absolute uitzondering op het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten voor de stukken die Delcredere ontvangt of produceert in het kader van zijn activiteiten ter uitvoering van de bij de wet van 31 augustus 1939 betreffende Delcredere opgelegde opdracht van commerciële en financiële aard, houdt een onevenredige beperking in van het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten zoals gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet en de uitsluiting van de instelling uit het toepassingsgebied van de wet van 11 april 1994 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.15. Het middel is gegrond. Bijgevolg dient artikel 82 van de wet van 18 april 2017 te worden vernietigd.

De techniek waarbij in de wetgeving wordt ingeschreven dat bepaalde documenten niet als bestuursdocucumenten in de zin van de openbaarheidswetgeving worden aanzien, komt ook in andere wetgeving terug. Zo kan gedacht worden aan het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs. Daarin is opgenomen dat bepaalde documenten (doorlichtingsverslagen etc.) die vrijwillig door een onderwijsinstelling ter beschikking worden gesteld, niet als bestuursdocumenten beschouwd worden. De vraag is of dergelijke bepalingen, in het licht van het hoger geciteerde arrest van het Grondwettelijk Hof wel kunnen standhouden. Desgevallend, eventueel via prejudiciële vraagstelling, kan het Hof in de toekomst ook over dergelijke bepalingen nog ondervraagd worden… Wij volgen het op.