BLOG KENNIS IS VOORSPRONG

Welkom Sidney Van Wellen

Wij verwelkomen onze nieuwe medewerker Sidney Van Wellen op ons kantoor. Hij zal werkzaam zijn binnen de vakgroep ondernemingsrecht, waar hij zal samenwerken met Ilse De Geyter en Frederic Rosiers. Wij wensen hem veel succes toe en zijn er zeker van dat hij zich snel zal thuisvoelen in het FORUM-team.

(Nieuwe) regeling voor woonreservegebieden

De decreetgever werkt aan een nieuwe regeling voor woonreservegebieden.

De term “woonreservegebieden” is een verzamelterm die door de decreetgever gebruikt wordt voor meerdere soorten gebieden die woonaanbod vormen naast het “gewone” woongebied. Het gaat om de woonuitbreidingsgebieden, zoals geregeld door artikel 5.1.1 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen en de ontwerp-gewestplannen (“Inrichtingsbesluit 1972”), en specifieke reservegebieden aangeduid met bijzondere (aanvullende) gewestplanvoorschriften (dus slechts in één of meer specifieke oorspronkelijke gewestplannen of latere gewestplanwijzigingen gebruikt), meer bepaald reservegebieden voor woonwijken, woonreservegebieden en woonaansnijdingsgebieden.

De huidige regeling m.b.t. de ontwikkeling van deze gebieden is bijzonder complex. De wetgever vindt het dan ook tijd om aan een nieuwe regeling te werken. De voorgestelde krachtlijnen daarvan zijn de volgende:

• Het zonevreemd karakter van bestaande woningen in “niet-geordend” woonuitbreidingsgebied komt te vervallen, en via verkaveling of groepswoningbouw geordende delen van woonuitbreidingsgebieden krijgen het statuut van woongebied, om gewenste evoluties (functievermenging, ruimtelijk rendement) mogelijk te maken.
• Er wordt een specifieke decretale regeling opgenomen voor de zogenaamde restpercelen.
• Als een gemeente in haar nieuw gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan na afweging tot de conclusie komt dat een ontwikkeling voor wonen gewenst is (en er is vanuit provinciaal of gewestelijk niveau geen voorbehoud gemaakt bij die optie uit het gemeentelijk ruimtelijk beleidsplan), dan is rechtstreekse aansnijding van (de betrokken delen van) het woonuitbreidingsgebied in het vergunningenbeleid mogelijk
conform de voorschriften van het Inrichtingsbesluit van 1972 voor wonen. Op de regeling in het vorige punt na, is rechtstreekse aansnijding via groepswoningbouw of globale verkaveling niet langer mogelijk. Er is steeds een goedkeuring op Vlaams niveau nodig van een gemeentelijk voorstel tot woonontwikkeling. Het gemeentelijk voorstel moet conform zijn met de gemeentelijke
ruimtelijke beleidsopties en een woonbehoefteninschatting, en de Vlaamse Regering beoordeelt het voorstel rekening houdend met de principes van het BRV.
• De gemeenteraad spreekt zich op eigen initiatief of op verzoek van een particulier uit over de ontwikkelingsmogelijkheden van een nog onbebouwd woonuitbreidingsgebied op haar grondgebied. Ze kiest voor woonontwikkeling, behoud van open ruimte of een bedrijfs-, recreatie- of openbare nutsbestemming. Er is een voorafgaand advies van de Gecoro.
• De deputatie geeft advies.
• Een voorstel tot woonontwikkeling vindt alleen doorgang als de Vlaamse Regering het goedkeurt (cf. supra). Bij afkeuring moet de Vlaamse Regering binnen de twee jaar een RUP voorlopig en binnen de vier jaar definitief vaststellen met een open ruimtebestemming. Stelt de gemeente het behoud van open ruimte voor, dan wordt het gebied eveneens meegenomen in een gewestelijk planinitiatief voor open ruimte. De andere voorstellen (bedrijfsbestemming, openbaar nut, recreatie) moeten ook de goedkeuring krijgen van de Vlaamse Regering maar leiden tot gemeentelijk planinitiatief.
• Elke ontwikkeling in (voormalig) woonuitbreidingsgebied, met uitzondering van de bebouwing van restpercelen, moet beantwoorden aan door de Vlaamse regering nader te specificeren criteria i.v.m. dichtheid, groenvoorzieningen e.d. (“state of the art”- ontwikkeling cf. de BRV-principes)
• Het toepassingsgebied van de decretale regeling wordt uitgebreid naar de reservegebieden voor woonwijken, woonreservegebieden en woonaansnijdingsgebieden.

De mogelijkheid om een woonuitbreidingsgebied aan te snijden en te ordenen via planinitiatief (door een RUP) wordt ongemoeid gelaten. Overigens vervangen de voorschriften van een RUP de voorschriften van het gewestplan, en is dus na vaststelling van het RUP geen sprake meer van een woonuitbreidingsgebied. Zoals hierboven al vermeld, bestaan er naast de woonuitbreidingsgebieden nog andere woonreservegebieden. Deze gebieden hebben een vergelijkbare functie als de woonuitbreidingsgebieden, en hebben ook een vergelijkbaar regime m.n. de ontwikkeling wordt afhankelijk gesteld van de vervulling van een aantal voorwaarden (voorafgaande beslissing over de globale ordening vb.).

De vergelijkbaarheid qua functie en regime zijn voldoende argumenten om de hierboven voorgestelde regeling m.b.t. woonuitbreidingsgebieden ook van toepassing te verklaren op de andere woonreservegebieden. De nieuwe bepalingen zijn dan ook in die zin uitgewerkt.

Met de voorgestelde tekst wordt het mogelijk om op korte of middellange termijn duidelijkheid te creëren in verband met het perspectief voor de woonreservegebieden.
Gemeentebesturen maar ook particulieren kunnen een beslissing agenderen.

Opgelet: dit is (nog maar) een voorontwerp. Dit moet eerst nog voorgelegd worden voor advies aan de Raad van State en aan de Strategische adviesraden. Wij volgen dit uiteraard verder op.

(zie Voorontwerp van decreet tot wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat betreft de ontwikkelingsmogelijkheden voor woonreservegebieden)

Wet betreffende bescherming van bedrijfsgeheimen

Wet bescherming bedrijfsgeheimenDe bepalingen omtrent de bescherming van bedrijfsgeheimen zijn vandaag verspreid over verschillende wetteksten, waaronder de Arbeidsovereenkomstenwet en het Wetboek Economisch recht. Door de Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen, dewelke een omzetting betreft van de Europese richtlijn nr. 2016/943 (Pb.L. 15 juni 2016, afl. 157), wordt nu voorzien in een uniform rechtskader.

De wet voegt in het Wetboek Economisch recht een nieuw deel in omtrent de bescherming van bedrijfsgeheimen. Er worden een omschrijving gegeven aan het begrip ‘bedrijfsgeheimen’, gekoppeld aan verschillende voorwaarden waaraan voldaan dient te zijn. Daarnaast wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het rechtmatig en het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen.

Naast deze inhoudelijke aspecten wordt eveneens voorzien in transparante regels voor wat betreft de procedure: de procedures worden immers gecentraliseerd bij de rechtbanken van koophandel die hun zetel hebben bij één van de 5 hoven van beroep. Op deze manier wil de wetgever ervoor zorgen dat deze rechtbanken van koophandel een expertise kunnen uitbouwen in het kader van de bescherming van bedrijfsgeheimen.

Deze rechtbanken van koophandel worden voorzien van een groot aantal maatregelen die zij kunnen opleggen om de bedrijfsgeheimen van uw onderneming te vrijwaren of het onrechtmatig gebruik, verkrijgen of openbaar maken ervan te bestraffen.

Alle partijen die betrokken zijn bij een eventuele gerechtelijke procedure worden bovendien onderworpen aan een vertrouwelijkheidsverplichting, waardoor de bedrijfsgeheimen in het kader van een procedure niet naar de buitenwereld verspreid worden. Dit geldt voor de partijen, advocaten, magistraten, gerechtelijk personeel, enz. Deze vertrouwelijkheidsverplichting waarborgt aldus het feit dat bedrijfsgeheimen geheim blijven gedurende een procedure.

Deze regelgeving treedt in werking op 24 augustus 2018. Indien u van mening bent dat uw bedrijfsgeheimen op ongeoorloofde wijze verkregen, verspreid of openbaar gemaakt werden, kan u steeds contact opnemen met Forum Advocaten. Wij staan u graag bij om de belangen van uw onderneming te vrijwaren.

Bron: Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van bedrijfsgeheimen, BS 14 augustus 2018.

Formele motiveringswet niet van toepassing op ontslag van de contractuele werknemer bij de overheid

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de interpretatie volgens dewelke de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen uitsluitend van toepassing is op statutaire ambtenaren en niet op contractuele personeelsleden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet schendt.
In een recent arrest van 5 juli 2018 sprak het Grondwettelijk Hof zich uit over volgende prejudiciële vraag:
“Schendt de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, eventueel in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zou zijn op het ontslag van de contractuele personeelsleden van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de werknemer die krachtens een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, niet de mogelijkheid zou bieden de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag die hem is opgelegd, terwijl de statutaire werknemer die met eenzelfde werkgever is verbonden, zijnerzijds kan eisen dat hij kennis kan nemen van de redenen die ten grondslag liggen aan de verbreking van de statutaire relatie die hem verbond met de overheid die eenzijdig heeft beslist die relatie te beëindigen?”
Het Hof oordeelde dat bovenstaande prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. De motivering van het Hof luidt als volgt:
“Door een overheid toe te staan een werknemer met wie zij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, te ontslaan, zonder die overheid ertoe te verplichten het ontslag uitdrukkelijk te motiveren, doen de artikelen 1 tot 7 van de wet van 29 juli 1991 een verschil in behandeling ontstaan tussen die werknemers en de statutaire ambtenaren, die het recht hebben de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag.
De statutaire personeelsleden zijn in beginsel niet vergelijkbaar met contractuele personeelsleden, aangezien ze zich in een grondig verschillende rechtspositie bevinden. De verschillende rechtsregels die de arbeidsverhouding van beide categorieën van personeelsleden beheersen, verhinderen echter niet dat ze zich, ten aanzien van een in hun rechtsvordering voor een rechter gestelde rechtsvraag, in een vergelijkbare situatie bevinden.
(…)
Die specifieke kenmerken dienen evenwel alleen in aanmerking te worden genomen in het licht van het onderwerp en de finaliteit van de in het geding zijnde bepalingen. De statutaire ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van een ambtsbeëindiging en het contractuele personeelslid dat zijn opzegging krijgt, bevinden zich ten aanzien van de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in een verschillende situatie. De eerste ziet zijn betrekking gewaarborgd door het feit dat zijn ambt slechts kan worden beëindigd op grond van redenen die uitdrukkelijk in zijn statuut zijn opgesomd. Het vaste karakter van de betrekking vormt aldus een substantieel kenmerk van het statutair ambt. Daaruit volgt voor de overheid die een einde maakt aan een statutaire relatie een verplichting om de bij het statuut bepaalde reden van ontslag afdoende te identificeren en voor de statutaire ambtenaar een recht om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Aangezien dat beroep binnen een termijn van zestig dagen moet worden ingesteld, moet die ambtenaar snel de redenen van de beslissing van de overheid kennen. Het contractuele personeelslid daarentegen is onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst, volgens welke elke partij bij de overeenkomst eenzijdig een einde aan de overeenkomst kan maken om vrij gekozen redenen. Een contractuele werknemer beschikt over een termijn van een jaar na de beëindiging van de overeenkomst om bij de arbeidsrechtbank beroep in te stellen. Die termijn biedt hem de mogelijkheid om aan de werkgever te vragen om de redenen van zijn ontslag te kennen. (…)
Uit het voorgaande blijkt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in de interpretatie volgens welke zij niet van toepassing zou zijn op het ontslag van contractuele personeelsleden van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt.”

Het Grondwettelijk Hof oordeelt derhalve dat het gegeven dat aan een werknemer die krachtens een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld niet de mogelijkheid wordt geboden om de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag die hem is opgelegd, terwijl een statutaire werknemer die met eenzelfde werkgever is verbonden dit wel kan eisen, niet discriminatoir is in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Het Hof argumenteert dat deze onderscheiden behandeling tussen statutairen en contractanten objectief te verantwoorden is omwille van het feit dat een statutair ambtenaar bij het aanvechten van diens ontslag slechts over een beroepstermijn van zestig dagen beschikt, terwijl deze termijn voor een contractant één jaar na beëindiging van de overeenkomst bedraagt. In het eerste geval dienen de redenen voor de ambtsbeëindiging derhalve snel gekend te zijn en dient de beslissing zelf de motieven hiervoor te bevatten, terwijl in het andere geval de ruime termijn nog de mogelijkheid biedt om de redenen voor ontslag bij de werkgever op te vragen.

Heeft u nog vragen? Aarzel dan niet om ons te contacteren. Forum Advocaten is graag bereid u verder te informeren.

UPDATE: strafrechtelijke verantwoordelijkheid rechtspersonen

Op 10 november 2017 werd op deze blog een presentatie gepost betreffende de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en de bijhorende cumulregeling (artikel 5 van het Strafwetboek). Er werd toen reeds gewezen op het feit dat de regels hieromtrent niet vanzelfsprekend en gewoonweg complex zijn.

Misdrijven worden in principe steeds gepleegd door natuurlijke personen. Wanneer deze natuurlijke persoon geïdentificeerd kon worden, konden zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon veroordeeld worden voor eenzelfde feit. Als de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk gesteld werd uitsluitend wegens het handelen van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, dan kon enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan, veroordeeld worden. Als de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout echter wetens en willens pleegde, kon hij samen met de rechtspersoon veroordeeld worden.

In de rechtspraak is het duidelijk dat de voormelde regeling voor veel discussie zorgde, meer bepaald door de vage formuleringen die de wetgever hanteerde in zijn toenmalige wettekst. De wetgever heeft nu gehoor gegeven aan deze kritiek door te voorzien in een nieuwe en eenvoudigere wetgeving.

De wetgever voorziet namelijk in het principe dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke persoon, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uitsluit.

Deze nieuwe regelging gaat van kracht op 30 juli 2018. Aangezien de oude regeling gunstiger en milder is dan de nieuwe regeling, zullen beide regeling nog gedurende een tijd naast elkaar bestaan (misdrijven gepleegd vóór 30 juli 2018 vs. misdrijven gepleegd na 30 juli 2018). Artikel 2 van het Strafwetboek bepaalt immers dat strengere straffen niet met terugwerkende kracht mogen worden opgelegd.

Bron: Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft, BS 20 juli 2018.

Doorlooptijden Raad voor Vergunningsbetwistingen

Jaarlijks worden er zo’n 800 à 900 procedures aanhangig gemaakt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
Op dit moment bedraagt de gemiddelde doorlooptijd van een procedure bij de Raad zo’n 16 à 17 maanden.
(Zie de Schriftelijke vraag nr. 191 van 19 maart 2018 van Robrecht Bothyne aan minister Geert Bourgeois m.b.t. Raad voor Vegunningsbetwistingen – hangende dossiers).

Hervorming van het vennootschapsrecht – Algemene bepalingen en overzicht vennootschapsvormen

Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) is een feit. Het klassiek onderscheid tussen handelsdaden en burgerlijke daden verdwijnt en het begrip “onderneming” (voorheen: handelaar) dringt zich op. Het WVV maakt dan ook geen onderscheid meer tussen een handels- en een burgerlijke vennootschap.

Het WVV reduceert het aantal vennootschapsvormen naar vier basisvormen, zijnde de maatschap, de BV, de CV en de NV. In de meeste vennootschapsvormen is echter heel wat flexibiliteit toegestaan, zodat een vennootschap op maat kan worden gerealiseerd.

De éénhoofdigheid wordt bovendien de nieuwe basisregel, zodat de vennootschapsvorm kan worden opgericht door één persoon. Er blijven evenwel uitzonderingen bestaan voor de maatschap, de VOF, de Comm.V, de CV en de VZW.

Meer lezen? Deel 1 hervorming vennootschapsrecht

Vacature stagiair / medewerker vakgroep Omgevingsrecht

FORUM ADVOCATEN heeft twee vacatures in de vakgroep ‘omgevingsrecht’ voor een stagiair(e) en/of medewerk(s)ter. Indien u geïnteresseerd bent, kan u ons een berichtje sturen via r.tijs@forumadvocaten.be met als bijlage uw cv en motivatiebrief. Wij nemen dan spoedig met u contact op.

Milieueffectenbeoordeling voor stedenbouwkundige verordeningen. Splinterbom.

Reeds in 2015 waarschuwden wij voor het feit dat stedenbouwkundige verordeningen allicht ook onderworpen moeten worden aan een milieueffectbeoordeling (TIJS, R., Stedenbouwkundige verordeningen, Brugge, dieKeure, 2015, 156-157).

“Heel wat voorschriften die in stedenbouwkundige verordeningen kunnen worden opgenomen, kunnen ook in de RUP’s worden opgenomen. Waarom zouden deze RUP’s dan wel en de verordeningen niet aan een MER onderworpen zijn? Bovendien vormen verordeningen zeker een toetsingskader voor de vergunningverlening (zelfs niet binnen het opportuniteitsluik zoals geldt voor structuurplannen, maar binnen het legaliteitsluik). En bovendien hebben deze verordeningen doorgaans een ruim territoriaal toepassingsgebied aangezien zij gelden voor het geheel (of een deel) van de gemeente, provincie, gewest … Bovendien kan moeilijk ontkend worden dat deze verordeningen vaak ‘de stadsontwikkeling’ trachten te sturen en dus wel degelijk ook een toetsingskader vormen voor de project-MER-categorie van de stadsontwikkelingsprojecten … Door hun eerder algemeen karakter kunnen deze verordeningen ook bepalingen bevatten die op meer industriële handelingen betrekking hebben en derhalve op project-MER-categorieën die hierbij aanleunen. Tevens kan niet ontkend worden dat de gevolgen van deze bepalingen aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben. Overigens kan ook de afschaffing van dergelijke bestaande verordeningen aanzienlijke milieueffecten hebben. Neem nu bijvoorbeeld de effecten die op het watersysteem zouden ontstaan bij opheffing van de hemelwaterverordening of bij de opheffing van een kapverordening die op het hele gemeentelijk grondgebied van kracht was …

Gelet op de ruime interpretatie die het Hof van Justitie doorgaans geeft aan heel wat begrippen (zoals ‘het kader vormen’ voor de toekenning van toekomstige vergunningen) en gelet op de nuttige werking van de plan-MER-richtlijn die door het Hof van Justitie toch eerder streng bewaakt wordt, zou de algehele uitsluiting van milieueffectenrapportage voor stedenbouwkundige verordeningen mogelijk als strijdig met het Europees recht beschouwd kunnen worden.”

Het Hof van Justitie bevestigt dit thans in een arrest van 7 juni 2018 (nr. C-671/16). Daarin wordt m.b.t. een Brusselse Stedenbouwkundige Verordening het volgende overwogen:

“Uit de lezing van de bestreden verordening volgt dat zij met name voorschriften bevat met betrekking tot de inrichting van zones die zich in de omgeving van de gebouwen en de andere vrije ruimten bevinden, van doorgangsgebieden, van zones met koeren en tuinen, de omheiningen, de aansluitingen van de bouwwerken op de netwerken en op de riolering, de opvang van het regenwater en diverse kenmerken van de bouwwerken, met name het veelzijdig en duurzaam karakter ervan, bepaalde van hun uiterlijke kenmerken of nog de toegang van voertuigen tot de bouwwerken.

In het licht van de wijze waarop zij zijn omschreven, kunnen de door een dergelijke verordening vastgestelde criteria en modaliteiten, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van haar conclusie heeft opgemerkt, aanzienlijke gevolgen hebben voor het stedelijk milieu.

Zulke criteria en modaliteiten kunnen immers, zoals de Commissie heeft benadrukt, een invloed hebben op de verlichting, de wind, het stedelijk landschap, de luchtkwaliteit, de biodiversiteit, het waterbeheer, de duurzaamheid van de bouwwerken en, meer in het algemeen, op de uitstoot in de betrokken zone. Meer in het bijzonder en zoals in de preambule van de bestreden verordening vermeld, kunnen het bouwvolume en de plaatsing van hoge gebouwen ongewenste schaduw- of windeffecten veroorzaken.

Gelet op deze gegevens, waarvan de verwijzende rechter echter het bestaan en de draagwijdte moet beoordelen rekening houdend met de betrokken verordening, dient te worden geoordeeld dat een verordening zoals aan de orde in het hoofdgeding valt onder het begrip „plannen en programma’s” in de zin van artikel 3, leden 1 en 2, van de SMB-richtlijn, die aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen.”

Deze rechtspraak kan verregaande implicaties hebben. Diverse verordeningen die thans in opmaak zijn (vb. wijzigingen van de Bouwcode in de stad Antwerpen m.b.t. de oppervlaktenorm van appartementen; openbaar onderzoek tot 30 juni 2018) zullen mogelijk bestreden worden op grond van het ontbreken van een milieueffectbeoordeling. Bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen zal dan weer mogelijk gevraagd worden om met toepassing van art. 159 G.W. een kwestieuze verordening buiten toepassing te laten… Dit wordt de komende periode dan ook een belangrijk aandachtspunt. Wij blijven het voor u opvolgen.