BLOG KENNIS IS VOORSPRONG

Formele motiveringswet niet van toepassing op ontslag van de contractuele werknemer bij de overheid

Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de interpretatie volgens dewelke de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen uitsluitend van toepassing is op statutaire ambtenaren en niet op contractuele personeelsleden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet schendt.
In een recent arrest van 5 juli 2018 sprak het Grondwettelijk Hof zich uit over volgende prejudiciële vraag:
“Schendt de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, eventueel in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in die zin geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing zou zijn op het ontslag van de contractuele personeelsleden van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij de werknemer die krachtens een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld, niet de mogelijkheid zou bieden de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag die hem is opgelegd, terwijl de statutaire werknemer die met eenzelfde werkgever is verbonden, zijnerzijds kan eisen dat hij kennis kan nemen van de redenen die ten grondslag liggen aan de verbreking van de statutaire relatie die hem verbond met de overheid die eenzijdig heeft beslist die relatie te beëindigen?”
Het Hof oordeelde dat bovenstaande prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord. De motivering van het Hof luidt als volgt:
“Door een overheid toe te staan een werknemer met wie zij een arbeidsovereenkomst heeft gesloten, te ontslaan, zonder die overheid ertoe te verplichten het ontslag uitdrukkelijk te motiveren, doen de artikelen 1 tot 7 van de wet van 29 juli 1991 een verschil in behandeling ontstaan tussen die werknemers en de statutaire ambtenaren, die het recht hebben de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag.
De statutaire personeelsleden zijn in beginsel niet vergelijkbaar met contractuele personeelsleden, aangezien ze zich in een grondig verschillende rechtspositie bevinden. De verschillende rechtsregels die de arbeidsverhouding van beide categorieën van personeelsleden beheersen, verhinderen echter niet dat ze zich, ten aanzien van een in hun rechtsvordering voor een rechter gestelde rechtsvraag, in een vergelijkbare situatie bevinden.
(…)
Die specifieke kenmerken dienen evenwel alleen in aanmerking te worden genomen in het licht van het onderwerp en de finaliteit van de in het geding zijnde bepalingen. De statutaire ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van een ambtsbeëindiging en het contractuele personeelslid dat zijn opzegging krijgt, bevinden zich ten aanzien van de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in een verschillende situatie. De eerste ziet zijn betrekking gewaarborgd door het feit dat zijn ambt slechts kan worden beëindigd op grond van redenen die uitdrukkelijk in zijn statuut zijn opgesomd. Het vaste karakter van de betrekking vormt aldus een substantieel kenmerk van het statutair ambt. Daaruit volgt voor de overheid die een einde maakt aan een statutaire relatie een verplichting om de bij het statuut bepaalde reden van ontslag afdoende te identificeren en voor de statutaire ambtenaar een recht om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te stellen. Aangezien dat beroep binnen een termijn van zestig dagen moet worden ingesteld, moet die ambtenaar snel de redenen van de beslissing van de overheid kennen. Het contractuele personeelslid daarentegen is onderworpen aan de regels die van toepassing zijn op de arbeidsovereenkomst, volgens welke elke partij bij de overeenkomst eenzijdig een einde aan de overeenkomst kan maken om vrij gekozen redenen. Een contractuele werknemer beschikt over een termijn van een jaar na de beëindiging van de overeenkomst om bij de arbeidsrechtbank beroep in te stellen. Die termijn biedt hem de mogelijkheid om aan de werkgever te vragen om de redenen van zijn ontslag te kennen. (…)
Uit het voorgaande blijkt dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in de interpretatie volgens welke zij niet van toepassing zou zijn op het ontslag van contractuele personeelsleden van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt.”

Het Grondwettelijk Hof oordeelt derhalve dat het gegeven dat aan een werknemer die krachtens een arbeidsovereenkomst is tewerkgesteld niet de mogelijkheid wordt geboden om de redenen te kennen die ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontslag die hem is opgelegd, terwijl een statutaire werknemer die met eenzelfde werkgever is verbonden dit wel kan eisen, niet discriminatoir is in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Het Hof argumenteert dat deze onderscheiden behandeling tussen statutairen en contractanten objectief te verantwoorden is omwille van het feit dat een statutair ambtenaar bij het aanvechten van diens ontslag slechts over een beroepstermijn van zestig dagen beschikt, terwijl deze termijn voor een contractant één jaar na beëindiging van de overeenkomst bedraagt. In het eerste geval dienen de redenen voor de ambtsbeëindiging derhalve snel gekend te zijn en dient de beslissing zelf de motieven hiervoor te bevatten, terwijl in het andere geval de ruime termijn nog de mogelijkheid biedt om de redenen voor ontslag bij de werkgever op te vragen.

Heeft u nog vragen? Aarzel dan niet om ons te contacteren. Forum Advocaten is graag bereid u verder te informeren.

UPDATE: strafrechtelijke verantwoordelijkheid rechtspersonen

Op 10 november 2017 werd op deze blog een presentatie gepost betreffende de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen en de bijhorende cumulregeling (artikel 5 van het Strafwetboek). Er werd toen reeds gewezen op het feit dat de regels hieromtrent niet vanzelfsprekend en gewoonweg complex zijn.

Misdrijven worden in principe steeds gepleegd door natuurlijke personen. Wanneer deze natuurlijke persoon geïdentificeerd kon worden, konden zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon veroordeeld worden voor eenzelfde feit. Als de rechtspersoon strafrechtelijk verantwoordelijk gesteld werd uitsluitend wegens het handelen van een geïdentificeerde natuurlijke persoon, dan kon enkel degene die de zwaarste fout heeft begaan, veroordeeld worden. Als de geïdentificeerde natuurlijke persoon de fout echter wetens en willens pleegde, kon hij samen met de rechtspersoon veroordeeld worden.

In de rechtspraak is het duidelijk dat de voormelde regeling voor veel discussie zorgde, meer bepaald door de vage formuleringen die de wetgever hanteerde in zijn toenmalige wettekst. De wetgever heeft nu gehoor gegeven aan deze kritiek door te voorzien in een nieuwe en eenvoudigere wetgeving.

De wetgever voorziet namelijk in het principe dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de natuurlijke persoon, die daders zijn van dezelfde feiten of eraan hebben deelgenomen, niet uitsluit.

Deze nieuwe regelging gaat van kracht op 30 juli 2018. Aangezien de oude regeling gunstiger en milder is dan de nieuwe regeling, zullen beide regeling nog gedurende een tijd naast elkaar bestaan (misdrijven gepleegd vóór 30 juli 2018 vs. misdrijven gepleegd na 30 juli 2018). Artikel 2 van het Strafwetboek bepaalt immers dat strengere straffen niet met terugwerkende kracht mogen worden opgelegd.

Bron: Wet van 11 juli 2018 tot wijziging van het Strafwetboek en de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering wat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen betreft, BS 20 juli 2018.

Doorlooptijden Raad voor Vergunningsbetwistingen

Jaarlijks worden er zo’n 800 à 900 procedures aanhangig gemaakt bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.
Op dit moment bedraagt de gemiddelde doorlooptijd van een procedure bij de Raad zo’n 16 à 17 maanden.
(Zie de Schriftelijke vraag nr. 191 van 19 maart 2018 van Robrecht Bothyne aan minister Geert Bourgeois m.b.t. Raad voor Vegunningsbetwistingen – hangende dossiers).

Hervorming van het vennootschapsrecht – Algemene bepalingen en overzicht vennootschapsvormen

Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) is een feit. Het klassiek onderscheid tussen handelsdaden en burgerlijke daden verdwijnt en het begrip “onderneming” (voorheen: handelaar) dringt zich op. Het WVV maakt dan ook geen onderscheid meer tussen een handels- en een burgerlijke vennootschap.

Het WVV reduceert het aantal vennootschapsvormen naar vier basisvormen, zijnde de maatschap, de BV, de CV en de NV. In de meeste vennootschapsvormen is echter heel wat flexibiliteit toegestaan, zodat een vennootschap op maat kan worden gerealiseerd.

De éénhoofdigheid wordt bovendien de nieuwe basisregel, zodat de vennootschapsvorm kan worden opgericht door één persoon. Er blijven evenwel uitzonderingen bestaan voor de maatschap, de VOF, de Comm.V, de CV en de VZW.

Meer lezen? Deel 1 hervorming vennootschapsrecht

Vacature stagiair / medewerker vakgroep Omgevingsrecht

FORUM ADVOCATEN heeft twee vacatures in de vakgroep ‘omgevingsrecht’ voor een stagiair(e) en/of medewerk(s)ter. Indien u geïnteresseerd bent, kan u ons een berichtje sturen via r.tijs@forumadvocaten.be met als bijlage uw cv en motivatiebrief. Wij nemen dan spoedig met u contact op.

Milieueffectenbeoordeling voor stedenbouwkundige verordeningen. Splinterbom.

Reeds in 2015 waarschuwden wij voor het feit dat stedenbouwkundige verordeningen allicht ook onderworpen moeten worden aan een milieueffectbeoordeling (TIJS, R., Stedenbouwkundige verordeningen, Brugge, dieKeure, 2015, 156-157).

“Heel wat voorschriften die in stedenbouwkundige verordeningen kunnen worden opgenomen, kunnen ook in de RUP’s worden opgenomen. Waarom zouden deze RUP’s dan wel en de verordeningen niet aan een MER onderworpen zijn? Bovendien vormen verordeningen zeker een toetsingskader voor de vergunningverlening (zelfs niet binnen het opportuniteitsluik zoals geldt voor structuurplannen, maar binnen het legaliteitsluik). En bovendien hebben deze verordeningen doorgaans een ruim territoriaal toepassingsgebied aangezien zij gelden voor het geheel (of een deel) van de gemeente, provincie, gewest … Bovendien kan moeilijk ontkend worden dat deze verordeningen vaak ‘de stadsontwikkeling’ trachten te sturen en dus wel degelijk ook een toetsingskader vormen voor de project-MER-categorie van de stadsontwikkelingsprojecten … Door hun eerder algemeen karakter kunnen deze verordeningen ook bepalingen bevatten die op meer industriële handelingen betrekking hebben en derhalve op project-MER-categorieën die hierbij aanleunen. Tevens kan niet ontkend worden dat de gevolgen van deze bepalingen aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben. Overigens kan ook de afschaffing van dergelijke bestaande verordeningen aanzienlijke milieueffecten hebben. Neem nu bijvoorbeeld de effecten die op het watersysteem zouden ontstaan bij opheffing van de hemelwaterverordening of bij de opheffing van een kapverordening die op het hele gemeentelijk grondgebied van kracht was …

Gelet op de ruime interpretatie die het Hof van Justitie doorgaans geeft aan heel wat begrippen (zoals ‘het kader vormen’ voor de toekenning van toekomstige vergunningen) en gelet op de nuttige werking van de plan-MER-richtlijn die door het Hof van Justitie toch eerder streng bewaakt wordt, zou de algehele uitsluiting van milieueffectenrapportage voor stedenbouwkundige verordeningen mogelijk als strijdig met het Europees recht beschouwd kunnen worden.”

Het Hof van Justitie bevestigt dit thans in een arrest van 7 juni 2018 (nr. C-671/16). Daarin wordt m.b.t. een Brusselse Stedenbouwkundige Verordening het volgende overwogen:

“Uit de lezing van de bestreden verordening volgt dat zij met name voorschriften bevat met betrekking tot de inrichting van zones die zich in de omgeving van de gebouwen en de andere vrije ruimten bevinden, van doorgangsgebieden, van zones met koeren en tuinen, de omheiningen, de aansluitingen van de bouwwerken op de netwerken en op de riolering, de opvang van het regenwater en diverse kenmerken van de bouwwerken, met name het veelzijdig en duurzaam karakter ervan, bepaalde van hun uiterlijke kenmerken of nog de toegang van voertuigen tot de bouwwerken.

In het licht van de wijze waarop zij zijn omschreven, kunnen de door een dergelijke verordening vastgestelde criteria en modaliteiten, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van haar conclusie heeft opgemerkt, aanzienlijke gevolgen hebben voor het stedelijk milieu.

Zulke criteria en modaliteiten kunnen immers, zoals de Commissie heeft benadrukt, een invloed hebben op de verlichting, de wind, het stedelijk landschap, de luchtkwaliteit, de biodiversiteit, het waterbeheer, de duurzaamheid van de bouwwerken en, meer in het algemeen, op de uitstoot in de betrokken zone. Meer in het bijzonder en zoals in de preambule van de bestreden verordening vermeld, kunnen het bouwvolume en de plaatsing van hoge gebouwen ongewenste schaduw- of windeffecten veroorzaken.

Gelet op deze gegevens, waarvan de verwijzende rechter echter het bestaan en de draagwijdte moet beoordelen rekening houdend met de betrokken verordening, dient te worden geoordeeld dat een verordening zoals aan de orde in het hoofdgeding valt onder het begrip „plannen en programma’s” in de zin van artikel 3, leden 1 en 2, van de SMB-richtlijn, die aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen.”

Deze rechtspraak kan verregaande implicaties hebben. Diverse verordeningen die thans in opmaak zijn (vb. wijzigingen van de Bouwcode in de stad Antwerpen m.b.t. de oppervlaktenorm van appartementen; openbaar onderzoek tot 30 juni 2018) zullen mogelijk bestreden worden op grond van het ontbreken van een milieueffectbeoordeling. Bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen zal dan weer mogelijk gevraagd worden om met toepassing van art. 159 G.W. een kwestieuze verordening buiten toepassing te laten… Dit wordt de komende periode dan ook een belangrijk aandachtspunt. Wij blijven het voor u opvolgen.

Het nieuwe insolventierecht – wijzigingen betreffende de bestuurdersaansprakelijkheid

De Wet van 11 augustus 2017 voorziet in een nieuw Boek XX dat zal worden toegevoegd aan het Wetboek van Economisch Recht. Dit Boek smelt de WCO en de faillissementswet samen met het oog op een coherente en leesbare wetgeving dewelke ook inhoudelijk grondig wordt gewijzigd.
In Titel VII van Boek XX worden een aantal bestaande wetsbepalingen inzake bestuurdersaansprakelijkheid overgeheveld van het vennootschapsrecht naar het insolventierecht, zijnde de bestaande aansprakelijkheid wegens kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement en de bestaande objectieve aansprakelijkheid voor niet-betaalde sociale bijdragen in hoofde van bestuurders of zaakvoerders die in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het faillissement betrokken zijn geweest bij minstens twee faillissementen of vereffeningen waarbij RSZ-schulden onbetaald zijn gebleven.
Daarnaast voert de wetgever een nieuwe aansprakelijkheidsregel in, dewelke in de rechtspraak en rechtsleer reeds gekend is als “wrongful trading”. Dit betreft een aansprakelijkheidsvordering – dewelke enkel kan worden ingesteld door de curator – wegens het in stand houden van een reddeloos verloren onderneming, waarbij de schulden de baten overtreffen. Onder bepaalde voorwaarden kan men zodoende persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming ten belope van het tekort. De wetgever wenst ondernemingen op die manier aan te zetten om zo snel mogelijk actie te ondernemen, en niet wanneer het reeds te laat is.
Het nieuwe insolventierecht is van toepassing op insolventieprocedures na 1 mei 2018. Lees meer : Het nieuwe insolventierecht (bestuurdersaansprakelijkheid)

Het nieuwe insolventierecht – wijzigingen betreffende de gerechtelijke reorganisatie en het faillissement

De Wet van 11 augustus 2017 voorziet in een nieuw Boek XX dat zal worden toegevoegd aan het Wetboek van Economisch Recht. Dit Boek smelt de WCO en de faillissementswet samen met het oog op een coherente en leesbare wetgeving dewelke ook inhoudelijk grondig wordt gewijzigd.
Bij de gerechtelijke reorganisatie kan de onderneming drie opties overwegen, zijnde het minnelijk akkoord, het collectief akkoord en de overdracht onder gerechtelijk gezag. De nieuwe wetgeving voert dienaangaande een aantal punctuele wijzigingen door.
Een belangrijke wijziging betreft de neerlegging van een verzoekschrift met aanvraag tot gerechtelijke reorganisatie hetwelk niet langer volstaat om de openbare verkoop tegen te houden. Deze wijziging is er gekomen om misbruik tegen te gaan van schuldenaars dewelke herhaaldelijk dergelijke verzoekschriften neerlegden.
Hoewel het initiële wetsontwerp nog het tegenovergestelde preciseerde, verwerven fiscale en sociale schulden ontstaan tijdens de periode van opschorting bovendien wel degelijk het statuut van boedelschuld.
De nieuwe wetgeving moedigt het sluiten van een minnelijk akkoord aan en voorziet er in dat de rechtbank het gerechtelijk minnelijk akkoord – mits marginale toetsing – homologeert en uitvoerbaar verklaart. Ook een buitengerechtelijk akkoord kan facultatief worden gehomologeerd.
Voor wat betreft het collectief akkoord wijzigt de wetgever de definitie van “buitengewone schuld-vorderingen in de opschorting”, als volgt: “de schuldvorderingen in de opschorting die gewaarborgd zijn op het ogenblik van de opening van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, door een zakelijke zekerheid, en de schuldvorderingen van de schuldeisers-eigenaars”. Bovendien wordt de minimumdrempel van het terug te betalen bedrag in hoofdsom verhoogd van 15% naar 20%.
Inzake de overdracht onder gerechtelijk gezag bestaat er voor de overnemer thans de mogelijkheid om lopende overeenkomsten mee op te nemen zonder dat een medecontractant zijn toestemming hiervoor dient te geven (op voorwaarde evenwel dat de overeenkomst niet persoonsgebonden is en de overnemer de uitstaande schulden van het contract betaalt).
Ook voor wat betreft het faillissement werd er door de wetgever in een aantal wijzigingen voorzien.
Gelet op het feit dat de wetgever de “tweede kans” voor de ondernemer wenst te bevorderen, komen goederen en inkomsten die de gefailleerde na faillissementsdatum verwerft, in principe niet meer toe aan de faillissementsboedel (tenzij de oorzaak van het verkrijgen het faillissement voorafgaat).
Tevens werd de verschoonbaarverklaring van een natuurlijke persoon vervangen door een (snelle) kwijtschelding, dit eveneens met het oog op de “tweede kans” van de ondernemer.
Het nieuwe insolventierecht is van toepassing op insolventieprocedures na 1 mei 2018. Meer lezen : Het nieuwe insolventierecht (gerechtelijke reorganisatie en faillissement)

WET BETREFFENDE DE VERSTERKING VAN DE ECONOMISCHE GROEI EN SOCIALE COHESIE

Op 30 maart 2018 werd de Wet betreffende de versterking van de economische groei en sociale cohesie gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Met deze nieuwe wet wordt een volgende belangrijke stap gezet in de uitvoering van het Zomerakkoord.

Deze wet voorziet in verschillende nieuwigheden, aanpassingen en uitbreidingen, zowel op voor het arbeidsrecht, als het socialezekerheidsrecht.

Bij een opzegging door de werkgever worden de opzeggingstermijnen voor werknemers met een anciënniteit van zes maanden of minder verkort. De na te leven termijnen bij een opzegging door de werknemer blijven ongewijzigd. De verkorte opzeggingstermijnen zijn van toepassing vanaf 1 mei 2018. Deze opzeggingen die betekend werden vóór 1 mei 2018 blijven hun gevolgen behouden.

Daarnaast wordt sinds 9 april 2018 ook voorzien in een recht op overleg inzake deconnectie. Door het gebruik van smartphones e.d.m. zijn werknemers meer en meer bereikbaar voor hun werkgever, waardoor de grens tussen werk en privé in het gedrang kan komen. Werknemers kunnen dergelijke problemen thans voorleggen aan de werkgever opdat er tot een oplossing kan worden gekomen.

Vervolgens wordt eveneens voorzien in goedkopere startersjobs voor jonge werknemers zonder werkervaring. Mits betaling van een forfaitaire toeslag aan de jonge werknemer kunnen werkgevers het brutoloon van deze werknemers verminderen, zonder het nettoloon van de jonge werknemer evenwel te doen dalen. Deze maatregel is van toepassing op arbeidsovereenkomsten die gesloten worden vanaf 1 juli 2018.

Ten slotte voorziet de wet in tal van andere maatregelen, zoals de financiering van projecten ter preventie van burn-outs, de opheffing van het algemeen verbod op het gebruik van uitzendkrachten in bepaalde sectoren, wijzigingen inzake de referteperiode voor de waarborg van het Sluitingsfonds, enz.

Voor meer informatie kan u terecht bij Forum Advocaten en kan u eveneens terugvinden in de bijgevoegde powerpoint: Wet economische groei en sociale cohesie