BLOG KENNIS IS VOORSPRONG

Een overeenkomst bewijzen door middel van een elektronische handtekening

Hoe bewijs je in de huidige steeds meer digitaliserende maatschappij het bestaan van een overeenkomst door middel van een elektronische handtekening?

Hiervoor dient eerst het onderscheid tussen de verschillende soorten elektronische handtekeningen verduidelijkt te worden.

Een elektronische handtekening bestaat uit gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere gegevens in elektronische vorm en die door de ondertekenaar worden gebruikt om te ondertekenen. Indien aan bepaalde bijkomende vereisten voldaan is, is er sprake van een geavanceerde elektronische handtekening. Tot slot is er nog de gekwalificeerde elektronische handtekening dewelke een geavanceerde elektronische handtekening is die is aangemaakt met een gekwalificeerd middel en gebaseerd is op een gekwalificeerd certificaat voor elektronische handtekeningen uitgegeven door dienstverleners vermeld op de Belgische Trusted List van de FOD Economie.

Vervolgens dient een onderscheid gemaakt te worden naargelang het bestaan van de overeenkomst dient te worden bewezen ten aanzien van een consument dan wel een niet-consument/ondernemer.

Ten aanzien van niet-consumenten/ondernemers geldt namelijk de vrije bewijslevering. Het bewijs van het bestaan van een overeenkomst mag derhalve door alle middelen van recht geleverd worden. Bijgevolg kan men zowel aan de hand van de gewone, de geavanceerde als de gekwalificeerde elektronische handtekening het bestaan van een overeenkomst ten aanzien van een niet-consument/ondernemer bewijzen.

Ten aanzien van consumenten dient nog een bijkomend onderscheid gemaakt te worden. Dezelfde regel als ten aanzien van een niet-consument/ondernemer is van toepassing indien het gaat om het bewijs van het bestaan van een overeenkomst waarvan het bedrag niet hoger ligt dan 375,00 euro. Ligt het bedrag van de overeenkomst wel hoger dan 375,00 euro, dan dient het bestaan ervan bewezen te worden door middel van onderhandse akte. Enkel de gekwalificeerde elektronische handtekening wordt gelijkgesteld met een onderhandse akte en kan dus aangewend worden om het bestaan van dergelijke overeenkomst te bewijzen. De (geavanceerde) elektronische handtekening is hiervoor niet voldoende.

In het licht van de hervorming van het Burgerlijk Wetboek en de nieuwe bewijsregels dient opgemerkt te worden dat het bedrag van 375,00 euro verhoogd zal worden naar 3.500,00 euro. De nieuwe bewijsregels treden in werking op de eerste dag van de 18e maand na publicatie van de wet houdende de invoeging van Boek 8 “Bewijs” in het nieuw Burgerlijk Wetboek. Het wetsontwerp voor deze wet werd recent op 4 april 2019 goedgekeurd door de Kamer.

 

Aandeelhoudersovereenkomsten in het kader van het nieuwe vennootschapsrecht

Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) treedt binnenkort in werking (01/05/2019 voor nieuwe vennootschappen en 01/05/2020 voor bestaande vennootschappen).

Het WVV betekent moderniteit en verregaande flexibiliteit, hetgeen ook een invloed heeft op allerlei mogelijke afspraken gepreciseerd in aandeelhoudersovereenkomsten.

In een aandeelhoudersovereenkomst kunnen de aandeelhouders onderling specifieke afspraken maken over o.a. overdrachtsbeperkingen (bv. volgrecht, volgplicht, voorkooprecht, …), winstuitkering, stemrechten, concurrentiebeding, organisatie bestuur, conflictenregeling,…

Men kan van de meeste regels van het WVV in onderling overleg afwijken. Aan aandeelhouders wordt op die manier een verregaande flexibiliteit geboden, waarbij zij veel mogelijkheden hebben om in alle vrijheid afspraken op te nemen in hun onderlinge overeenkomst. Zo kunnen zij beslissen om de aandelen principieel overdraagbaar te maken, om een meervoudig stemrecht in te voeren en om in een geschillenregeling te voorzien.

Het spreekt dan ook voor zich dat een goede aandeelhoudersovereenkomst van uitermate belang is!

Meer weten: Aandeelhoudersovereenkomsten in het kader van het nieuwe vennootschapsrecht

Geen bezwaar tegen omgevingsvergunning, toch administratief beroep mogelijk

Het Grondwettelijk Hof heeft in een arrest van 14 maart 2019 de artikelen 133, 2°, en 151, 3°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (of Codextrein) vernietigd.

Bovenvermelde artikelen bepalen dat het betrokken publiek uitsluitend administratief beroep bij de deputatie of een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen kan instellen indien zij tijdens het openbaar onderzoek hun bezwaren, opmerkingen of standpunten ter kennis hebben gebracht. Behoudens enkele beperkte uitzonderingen, was het indienen van een bezwaar tijdens het openbaar onderzoek met andere woorden een ontvankelijkheidsvoorwaarde om een beroep te kunnen instellen bij de deputatie, dan wel bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat deze nieuwe bepalingen van de Codextrein in strijd zijn met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet. Het recht op toegang tot de rechter wordt door middel van deze bepalingen zonder redelijke verantwoording beperkt.

Het Grondwettelijk Hof overweegt onder meer het volgende:

“B.5.3. Inzake omgevingsrecht is het doorgaans van essentieel belang, zowel voor de aanvrager van de omgevingsvergunning als voor het betrokken publiek, dat hun niet de dienst wordt ontzegd die een gespecialiseerde overheid kan bieden door hun situatie in concreto te beoordelen.

Zoals is opgemerkt in de parlementaire voorbereiding, draagt de actieve participatie van het betrokken publiek tijdens het openbaar onderzoek bij aan een doelmatige besluitvorming, doordat de betrokken overheid zo snel mogelijk op de hoogte wordt gebracht van eventuele bezwaren en relevante gegevens (Parl. St., Vlaams Parlement, 2016-2017, nr. 1149/1, p. 147). De doelstelling om de vergunningverlenende overheid zo snel mogelijk van alle informatie te voorzien, verantwoordt echter niet dat de leden van het betrokken publiek verplicht worden om reeds een gemotiveerd standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen op het ogenblik dat zij nog niet over alle relevante informatie beschikken, teneinde hun toegang tot het administratief en jurisdictioneel beroep te vrijwaren

B.5.4. De bestreden bepalingen voorzien weliswaar in uitzonderingen voor het geval dat het beroep is ingegeven door een wijziging aan de vergunningsaanvraag, aangebracht na het openbaar onderzoek, wegens een in de bestreden vergunning opgelegde bijzondere milieuvoorwaarde, in het geval van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit, of wegens een in de bestreden vergunning opgelegde voorwaarde, in het geval van een andere omgevingsvergunning, of indien kan worden aangetoond dat het betrokken publiek wegens specifieke omstandigheden in de onmogelijkheid was om een standpunt, opmerking of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek.

B.5.5. Die uitzonderingen waarborgen echter niet dat de leden van het betrokken publiek, die pas in het kader van de bekendmaking van de uitdrukkelijk gemotiveerde beslissing genomen in eerste of laatste administratieve aanleg gewezen worden op elementen van de aanvraag die voor hen nadelige gevolgen kunnen hebben, voldoende toegang hebben tot respectievelijk de administratieve beroepsprocedure en het beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Bovendien waarborgen die uitzonderingen evenmin de toegang tot de Raad voor Vergunningsbetwistingen voor de leden van het betrokken publiek die pas in het kader van de bekendmaking van de vergunningsbeslissing kennis krijgen van de schending van rechtsregels of algemene rechtsbeginselen die voor hen nadelige gevolgen kan hebben, en die tot de vernietiging van de beslissing kan leiden.

B.5.6. Het recht op toegang tot de rechter is een grondrecht dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet aan eenieder moet worden gewaarborgd. De beperking, in beginsel, van dat recht, voor de leden van het betrokken publiek, tot diegenen die in het kader van het openbaar onderzoek een gemotiveerd bezwaar, standpunt of opmerking hebben ingediend, is niet evenredig met de door de decreetgever nagestreefde doelstelling die in essentie erin bestaat de bestuurlijke geschillenbeslechting te stroomlijnen en te versnellen.”

Het gevolg is dat men thans dus (zoals vroeger het geval was) nog (administratief) beroep zal kunnen instellen, ook al heeft men geen bezwaar ingediend tijdens het openbaar onderzoek.

Indien u nog verdere vragen heeft, aarzel dan niet om ons te contacteren.

Mag een overnemer in het kader van een overdracht onder gerechtelijk gezag kiezen welke werknemers hij overneemt?

Naar aanleiding van een prejudiciële vraag van het Arbeidshof te Antwerpen dient het Hof van Justitie van de Europese Unie te antwoorden op de vraag of het gerechtvaardigd is dat een kandidaat-overnemer in het kader van reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag zelf kan beslissen welke werknemers hij mee overneemt wanneer hij een onderneming overneemt.

De advocaat-generaal bij het Hof van Justitie heeft hieromtrent recent een standpunt ingenomen dat zou kunnen leiden tot een wijziging van onze Belgische regelgeving.

Meer weten: Blogbericht overdracht onder gerechtelijk gezag

Digitaal contracteren en de elektronische handtekening

De maatschappij evolueert steeds meer naar een papierloze en digitale maatschappij. Vanzelfsprekend geldt dit ook voor het sluiten van overeenkomsten dewelke steeds meer door middel van de elektronische handtekening worden ondertekend. Maar wat is nu die elektronische handtekening en wat met betrekking tot de geldigheid en bewijswaarde van zulke elektronische handtekening?

Begrip

De wet van 21 juli 2016 regelt het gebruik van de elektronische handtekening en behelst de uitvoering van en een aanvulling op de eIDAS-Verordening (Vo. 910/2014) van 23 juli 2014.

De elektronische handtekening wordt zeer ruim gedefinieerd als “gegevens in elektronische vorm die gehecht zijn aan of logisch verbonden zijn met andere gegevens in elektronische vorm en die door de ondertekenaar worden gebruikt om te ondertekenen.

Indien aan bepaalde bijkomende vereisten voldaan is, kan een elektronische handtekening geavanceerd dan wel gekwalificeerd zijn. Deze bijkomende vereiste garanderen dat de geavanceerde elektronische handtekening aan een bepaalde persoon kan worden toegerekend. De gekwalificeerde elektronische handtekening is een door een veilig middel aangemaakte geavanceerde elektronische handtekening dewelke gebaseerd is op een elektronisch certificaat afgegeven door een certificaatdienstverlener (bv. middels de Belgische eID-kaart).

(Rechts)geldigheid

De elektronische handtekening is rechtsgeldig. De rechtsgevolgen en de toelaatbaarheid ervan mogen in een gerechtelijke procedure niet ontkend worden louter omwille van het feit dat de handtekening elektronisch is, ook al voldoet zij niet aan de vereisten van de geavanceerde of gekwalificeerde elektronische handtekening. Voor de gekwalificeerde elektronische handtekening geldt in ieder geval een vermoeden van conformiteit.

Indien de geldigheid van een (geavanceerde) elektronische handtekening betwist wordt, is het aan diegene die gebruik maakt van de (geavanceerde) elektronische handtekening om de geldigheid ervan te bewijzen. Gelet op het vermoeden van conformiteit van de gekwalificeerde elektronische handtekening, zal het aan diegene die de geldigheid van dergelijke gekwalificeerde elektronische handtekening betwist, zijn om de ongeldigheid te bewijzen.

Bewijs bestaan overeenkomst

Ten aanzien van niet-consumenten/handelaars geldt de vrije bewijslevering en mag het bewijs van het bestaan van een overeenkomst door middel van alle middelen van recht geleverd worden en derhalve zowel door middel van de gewone, geavanceerde als de gekwalificeerde elektronische handtekening.

Ten aanzien van consumenten geldt dezelfde regel indien het gaat om overeenkomsten waarvan het bedrag lager ligt dan 375,00 euro. Ligt het bedrag van de overeenkomst hoger dan 375,00 euro, dan dient het bestaan van de overeenkomst bewezen te worden door middel van onderhandse akte. Enkel de gekwalificeerde elektronische handtekening wordt gelijkgesteld met een onderhandse akte. De (geavanceerde) elektronische handtekening is derhalve niet voldoende.

 

 

Soepelere herzieningsmogelijkheid voor (verouderde) APA’s, BPA’s en gemeentelijke RUP’s in werking getreden

Vanaf 7 maart 2019 kunnen gemeenten gebruik maken van de soepelere herzieningsmogelijkheid voor verouderde APA’s, BPA’s en gemeentelijke RUP’s, zoals vervat in artikel 7.4.4/1 VCRO.

Dit artikel, dat met de zgn. Codextrein d.d. 8 december 2017 werd ingevoegd in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, is één van de recente initiatieven om het zgn. ‘ruimtelijk rendement’ te verhogen.

Het was echter wachten op de publicatie van het bijhorende uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering alvorens daadwerkelijk gebruik kon worden gemaakt van het nieuwe artikel 7.4.4/1 VCRO.

Artikel 5 van dit uitvoeringbesluit van 11 januari 2019 bepaalt dat artikel 101 Codextrein – en bij uitbreiding dus ook artikel 7.4.4/1 VCRO – op dezelfde dag als het besluit zelf, nl. op  7 maart 2019, in werking treedt.

Het besluit van 11 januari 2019 regelt niet alleen de inwerkingtreding van artikel 101 Codextrein/artikel 7.4.4/1 VCRO, doch benoemt eveneens de adviesinstanties en bepaalt de minimale organisatorische en procedurele vereisten bij het openbaar onderzoek, zoals vermeld in artikel 7.4.4/1 VCRO.

Met artikel 7.4.4/1 VCRO kunnen gemeenten thans – na het inwinnen van advies en het doorlopen van een openbaar onderzoek – de (verouderde) stedenbouwkundige voorschriften van algemene en bijzondere plannen van aanleg aanpassen en/of opheffen – dit zonder aanname van een nieuw RUP – voor zover deze voorschriften betrekking hebben op:

  • De perceelsafmetingen
  • De afmetingen en inplantingen van constructies
  • De dakvorm en de gebruikte materialen
  • De maximaal mogelijke vloerterreinindex
  • Het aantal bouwlagen
  • De voortuinstroken en tuinzones
  • Het aantal toegelaten woongelegenheden of bedrijfseenheden per kavel
  • De toegelaten functies in de bebouwbare zones of van bebouwde onroerende goederen
  • De parkeergelegenheden

Ook de stedenbouwkundige voorschriften van gemeentelijke RUP’s kunnen met toepassing van hetzelfde artikel aangepast worden, met uitzondering van de voorschriften die betrekking hebben op de toegelaten functies.

Het valt af te wachten of de lokale besturen deze mogelijkheid zullen aangrijpen en hiermee daadwerkelijk een hoger ruimtelijk rendement zullen kunnen creëren.

De private herstelvordering vereist geen voorafgaande overschrijving in het hypotheekkantoor

Met een arrest van 31 januari 2019 (nr. 14/2019) heeft het Grondwettelijk Hof – in het kader van de beantwoording van een prejudiciële vraag – duidelijkheid gecreëerd over de vraag of een voorafgaande overschrijving van de zgn. ‘private herstelvordering’ al dan niet noodzakelijk is. 

De private herstelvordering, waarbij een particulier of rechtspersoon het herstel in de oorspronkelijke toestand vordert als vorm van integrale schadevergoeding op basis van artikel 1382 BW, dient te worden onderscheiden van de publieke herstelvordering, dewelke per definitie wordt uitgeoefend door het Openbaar Ministerie, de gewestelijk/gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur of een burgemeester. 

Er bestaat geen twijfel over het feit dat de gedinginleidende akte, dewelke de publieke herstelvordering bevat, voorafgaandelijk dient te worden overgeschreven in het hypotheekkantoor, zulks conform het vroegere artikel 6.2.1 (thans 6.3.1) VCRO. Deze overschrijving biedt bijkomende bescherming (in de vorm van vastgoedinformatie) voor een potentiële kandidaat-koper van het in de publieke herstelvordering betrokken onroerend goed. 

De grondslag van de private herstelvordering, te vinden in artikel 1382 BW, bevat geen dergelijke expliciete verplichting tot overschrijving in het hypotheekkantoor. Naar analogie met de VCRO werd in de praktijk nochtans met regelmaat geopperd dat ook een private vordering tot herstel, gebaseerd op artikel 1382 BW, onderworpen was aan een hypothecaire overschrijving. 

Deze discussie wordt met het arrest van 31 januari 2019 beëindigd. Het onderscheid tussen de publieke en de private herstelvordering, dewelke exact dezelfde concrete gevolgen (= het opleggen van herstelmaatregelen) kunnen nastreven, vormt volgens het Grondwettelijk Hof geen schending van de artikelen 10 en 11 Gw., maar vloeit louter voort uit de autonomie die door de Grondwet aan resp. de gewestelijke, dan wel de federale wetgever wordt toegekend.

Het is aldus perfect mogelijk dat de gewestelijke decreetgever in een verplichte overschrijving in het hypotheekkantoor in de VCRO inschrijft, terwijl het federaal tot stand gekomen Burgerlijk Wetboek een dergelijke verplichting niet bevat, niettegenstaande de verminderde rechtsbescherming voor een potentiële koper van een onroerend goed die uit deze conclusie voortvloeit.

Alleszins dient een potentiële koper waakzaam te zijn. Hij zal immers door de overschrijving wél geïnformeerd zijn over een publieke herstelvordering, maar mogelijk niet over een eventuele private herstelvordering, aangezien hiervoor de verplichting tot overschrijving niet geldt. Het verdient aanbeveling hierover ook een verklaring door de verkoper te laten opnemen in de compromis/akte.

NEWSFLASH: Het langverwachte nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen is een feit!

Het parlement heeft het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen op 28 februari 2019 goedgekeurd.

Even opfrissen. Wat verandert er ook alweer? 

Het klassiek onderscheid tussen handelsdaden en burgerlijke daden verdwijnt en het begrip “onderneming” (voorheen: handelaar) dringt zich op. Het nieuwe Wetboek maakt dan ook geen onderscheid meer tussen een handels- en een burgerlijke vennootschap.

Het nieuwe Wetboek reduceert het aantal vennootschapsvormen naar vier basisvormen, zijnde de maatschap, de BV, de CV en de NV. In de meeste vennootschapsvormen is echter heel wat flexibiliteit toegestaan, zodat een vennootschap op maat kan worden gerealiseerd.

De éénhoofdigheid wordt bovendien de nieuwe basisregel, zodat de vennootschapsvorm kan worden opgericht door één persoon. Er blijven evenwel uitzonderingen bestaan voor de maatschap, de VOF, de Comm.V, de CV en de VZW.

Wanneer moet u welke actie ondernemen?

Het nieuwe Wetboek treedt in werking op 1 mei 2019, zodat het nieuwe Wetboek hoe dan ook van toepassing is op nieuw op te richten vennootschappen.

Voor bestaande vennootschappen zijn de dwingende bepalingen (o.a. omvorming kapitaal BV, alarmbelprocedure, winstuitkering,…) van het nieuwe Wetboek vanaf 1 januari 2020 van toepassing. Voor niet-dwingende bepalingen hebben bestaande vennootschappen nog de tijd tot de eerstvolgende statutenwijziging na 1 januari 2020 om in overeenstemming te zijn, maar dit dient alleszins vóór 1 januari 2024 te gebeuren.

Bestaande vennootschappen hebben tevens de mogelijkheid om nu reeds actie te ondernemen om de nieuwe bepalingen conform het nieuwe Wetboek te implementeren, dewelke dan geldig zullen zijn vanaf de dag van de bekendmaking van de statutenwijziging, maar ten vroegste op 1 mei 2019.

Indien uw bestaande vennootschapsvorm conform het nieuwe Wetboek wordt afgeschaft, dient u deze via een statutenwijziging vóór 1 januari 2024 om te zetten. Doet u dit niet, dan zal dit automatisch gebeuren. Wij raden u echter aan om dit reeds eerder te doen, zodat u kan genieten van de extra flexibiliteit dewelke het nieuwe Wetboek u biedt.

Vanaf 1 januari 2020 worden de BV en de CV vennootschappen zonder kapitaal, hetgeen automatisch zal gebeuren. Het gestorte kapitaal en de wettelijke reserve zal automatisch omgezet worden in een statutair onbeschikbare eigen vermogensrekening.

Voor meer informatie kan u ons uiteraard steeds contacteren.

 

Het hervormd bewijsrecht

De wet van 15 april 2018 (B.S. 27 april 2018) die in werking trad op 1 november 2018 hervormde en vernieuwde het ondernemingsrecht grondig, onder meer door een modernisering van het ondernemingsbewijs.

Er zijn echter nog heel wat bijkomende wijzigingen op til in het bewijsrecht naar aanleiding van het wetsontwerp van 31 oktober 2018 houdende invoeging van Boek 8 “Bewijs” in het nieuw Burgerlijk Wetboek.

Wij overlopen met u de belangrijkste reeds doorgevoerde wijzigingen en de meest frappante nieuwigheden die nog doorgevoerd zullen worden.

Meer weten : Bewijs