Blog Amazing things that
bring positive results

Grondwettelijk Hof vernietigt bepaling waarbij op algemene en absolute wijze een uitzondering op het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten werd ingevoerd.

Openbaarheid is de (grondwettelijk gewaarborgde) regel. Uitzonderingen hierop dienen restrictief geïnterpreteerd te worden.

Uitzonderingen op de openbaarheid van bestuursdocumenten zijn slechts mogelijk onder de voorwaarden vastgesteld door de wet, het decreet of de ordonnantie. Ze moeten volgens het Grondwettelijk Hof worden verantwoord en moeten beperkend worden geïnterpreteerd. De Raad van State sluit zich aan bij die rechtspraak.

Algemene en absolute uitzonderingen op de principiële openbaarheid van bestuur, zullen doorgaans de toetsing aan art. 32 van de grondwet, in samenhang met art. 10 en 11 van de grondwet niet doorstaan.

In dat verband kan verwezen worden naar een recent en interessenat arrest van het Grondwettelijk Hof, waarin geoordeeld werd dat de door de bestreden bepaling ingevoerde algemene en absolute uitzondering op het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten voor de stukken die Delcredere ontvangt of produceert in het kader van zijn activiteiten ter uitvoering van de bij de wet van 31 augustus 1939 betreffende Delcredere opgelegde opdracht van commerciële en financiële aard, een onevenredige beperking inhoudt van het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten zoals gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet en dat de uitsluiting van de instelling uit het toepassingsgebied van de wet van 11 april 1994 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt:

B.10.1. Door te bepalen dat de stukken die Delcredere ontvangt of produceert in het kader van zijn activiteiten ter uitvoering van de bij de wet van 31 augustus 1939 opgelegde opdracht van commerciële en financiële aard niet worden beschouwd als bestuursdocumenten in de zin van de wet van 11 april 1994, voert de bestreden bepaling een algemene uitzondering in op het fundamentele recht dat is gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet.

B.10.2. Het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen de personen die willen kennisnemen van de in de bestreden bepaling bedoelde documenten, die automatisch van dat recht zijn uitgesloten, en de personen die willen kennisnemen van andere bestuursdocumenten, die de bij de wet van 11 april 1994 ingevoerde procedure genieten, kan alleen een toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 32 van de Grondwet, doorstaan wanneer het berust op een objectief criterium en redelijk verantwoord is. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

B.11. De parlementaire voorbereiding van de wet van 18 april 2017 wijst op de concurrentiële omgeving waarin Delcredere opereert en verantwoordt de bestreden maatregel door de zorg om de bescherming te waarborgen van de vertrouwelijke bedrijfsinformatie van de cliënten van Delcredere, aangezien de regeling waarin is voorzien in de wet van 11 april 1994 hiervoor geen sluitende oplossing zou bieden. De uitzonderingsgronden in die wet vereisen immers dat geval per geval geoordeeld wordt welke van de gegevens die de bedrijven aan Delcredere meedelen al dan niet vertrouwelijk zijn en verplichten Delcredere tot openbaarmaking wanneer de bescherming van het vertrouwelijk karakter van de bedrijfsinformatie van zijn cliënten niet opweegt tegen het belang van de openbaarheid. Aldus zou Delcredere zijn cliënten niet op sluitende wijze de vereiste bescherming van hun vertrouwelijke bedrijfsinformatie kunnen bieden.

Er wordt ook benadrukt dat niet louter bepaalde segmenten maar integendeel het geheel van de handelingen die Delcredere bij het uitoefenen van zijn kerntaken stelt, handelingen betreft die passen in het kader van een uitsluitend commerciële en financiële context. De bestreden bepaling moet toelaten dat Delcredere een bescherming kan bieden van de vertrouwelijke gegevens van zijn cliënten die gelijkwaardig is aan hetgeen bij de concurrentie geldt. Ten slotte wordt ter verantwoording van de bestreden bepaling ook erop gewezen dat het optreden van Delcredere gericht is op het sluiten van private overeenkomsten en dat Delcredere bij de uitoefening van zijn commerciële en financiële activiteiten geen eenzijdige bestuurshandelingen stelt (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2331/001, pp. 46-50).

B.12.1. Ondernemingen hebben een rechtmatig belang om hun zakengeheimen niet aan de openbaarheid prijs te geven. Wanneer de administratieve transparantie op dergelijke informatie betrekking heeft, dient een goed evenwicht tot stand te worden gebracht tussen de bescherming van het zakengeheim en het grondrecht dat wordt gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet.

B.12.2. Er kan echter niet a priori van worden uitgegaan dat alle stukken die Delcredere ontvangt of produceert in het kader van zijn activiteiten ter uitvoering van de bij de wet van 31 augustus 1939 betreffende Delcredere opgelegde opdracht van openbare dienst, dermate vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten dat zij in hun volledigheid aan de openbaarheid zouden moeten worden onttrokken.

Een dergelijke absolute uitsluiting verdraagt zich niet met artikel 32 van de Grondwet, dat van de openbaarheid van bestuursdocumenten de regel heeft gemaakt en vereist dat uitzonderingen daarop strikt worden geïnterpreteerd en geval per geval worden gerechtvaardigd zodat het beginsel van de administratieve transparantie niet wordt uitgehold.

B.13.1. Er wordt voorts niet aangetoond dat de uitzonderingen en de procedure ingevoerd bij de wet van 11 april 1994 ontoereikend zouden zijn om de vertrouwelijkheid van gevoelige informatie te waarborgen en dat derhalve een afwijking van die wet noodzakelijk zou zijn.

B.13.2. Zoals is vermeld in B.9.2, bevat artikel 6 van de wet van 11 april 1994 immers verschillende uitzonderingsgronden op het recht van toegang tot bestuursdocumenten.

Zo dient een administratieve overheid de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument onder meer af te wijzen, wanneer zij heeft vastgesteld dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van de bestuurden, de federale internationale betrekkingen van België,
15
een federaal economisch of financieel belang of het uit de aard van de zaak vertrouwelijk karakter van de ondernemings- en fabricagegegevens die aan de overheid zijn meegedeeld.

Voorts moet de administratieve overheid de aanvraag tot inzage of mededeling weigeren wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon met de inzage of mededeling heeft ingestemd.

B.13.3. Het door de wetgever nagestreefde doel om de vertrouwelijke gegevens van de cliënten van Delcredere te beschermen, kan dus worden bereikt door gebruik te maken van de bij de wet van 11 april 1994 geregelde procedure. Enkel een dergelijke procedure komt overigens tegemoet aan de bekommernis die bij de totstandkoming van artikel 32 van de Grondwet als wezenlijk werd beschouwd, namelijk dat steeds in concreto moet kunnen worden beoordeeld of de aanvraag om inzage in een bestuursdocument al dan niet kan worden ingewilligd.

B.13.4. Ten slotte wordt niet aannemelijk gemaakt waarom de bestuursdocumenten die vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten, niet zouden kunnen worden aangepast, overeenkomstig artikel 6, § 4, van de wet van 11 april 1994, opdat minstens een gedeeltelijke openbaarheid kan worden gewaarborgd (zie in dezelfde zin : Raad van State, advies nr. 60.806/1/2/4 van 7 februari 2017, Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2331/001, pp. 112-113).

B.14. De door de bestreden bepaling ingevoerde algemene en absolute uitzondering op het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten voor de stukken die Delcredere ontvangt of produceert in het kader van zijn activiteiten ter uitvoering van de bij de wet van 31 augustus 1939 betreffende Delcredere opgelegde opdracht van commerciële en financiële aard, houdt een onevenredige beperking in van het recht op openbaarheid van bestuursdocumenten zoals gewaarborgd bij artikel 32 van de Grondwet en de uitsluiting van de instelling uit het toepassingsgebied van de wet van 11 april 1994 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.15. Het middel is gegrond. Bijgevolg dient artikel 82 van de wet van 18 april 2017 te worden vernietigd.

De techniek waarbij in de wetgeving wordt ingeschreven dat bepaalde documenten niet als bestuursdocucumenten in de zin van de openbaarheidswetgeving worden aanzien, komt ook in andere wetgeving terug. Zo kan gedacht worden aan het decreet van 8 mei 2009 betreffende de kwaliteit van het onderwijs. Daarin is opgenomen dat bepaalde documenten (doorlichtingsverslagen etc.) die vrijwillig door een onderwijsinstelling ter beschikking worden gesteld, niet als bestuursdocumenten beschouwd worden. De vraag is of dergelijke bepalingen, in het licht van het hoger geciteerde arrest van het Grondwettelijk Hof wel kunnen standhouden. Desgevallend, eventueel via prejudiciële vraagstelling, kan het Hof in de toekomst ook over dergelijke bepalingen nog ondervraagd worden… Wij volgen het op.

Comments (0)